Les 003

Welkom!
programma
Woordenschat
Communicatie
1 / 43
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsEnseignement Professionnel

In deze les zitten 43 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 60 min
Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

Welkom!
programma
Woordenschat
Communicatie

Slide 1 - Tekstslide

opwarmer
https://www.youtube.com/shorts/-XdI7XkcSq4

Slide 2 - Tekstslide

De school wil een debat faciliteren?
A
De school wil het debat verbieden.
B
De school wil het debat mogelijk maken.
C
De school wil de argumenten van de leerlingen beoordelen.
D
De school wil bepalen wie het debat wint.

Slide 3 - Quizvraag

Welke uitspraak over connotatie is juist?
A
Een connotatie is altijd negatief.
B
Een connotatie is de officiële betekenis in het woordenboek.
C
Een connotatie ontstaat alleen bij buitenlandse woorden.
D
Een connotatie is een gevoel of associatie die een woord naast de letterlijke betekenis kan hebben.

Slide 4 - Quizvraag

Welke situatie is een voorbeeld van consensus?
A
De docent neemt uiteindelijk zelf de beslissing.
B
Na lang overleggen kan de hele groep zich vinden in het besluit.
C
Twee partijen blijven het volledig met elkaar oneens.
D
Zes leerlingen stemmen voor en vier leerlingen tegen.

Slide 5 - Quizvraag

In welke zin wordt ambiguïteit het best uitgelegd?
A
De schrijver gebruikte alleen moeilijke woorden.
B
De boodschap was zo kort dat niemand hem belangrijk vond.
C
De uitspraak kon op twee verschillende manieren worden begrepen.
D
De leerlingen waren het allemaal eens met de docent.

Slide 6 - Quizvraag

Wat betekent verworvenheid?
A
Een eigenschap die iemand vanaf zijn geboorte heeft
B
Iets wat je van iemand anders hebt geleend
C
Iets wat door inspanning of ontwikkeling is bereikt en als waardevol wordt beschouwd
D
Een verplichting die door de overheid wordt opgelegd

Slide 7 - Quizvraag

Wat betekent verloedering?
A
D. Het veranderen van de functie van een gebouw of gebied
B
A. Het langzaam achteruitgaan of in verval raken van iets
C
C. Het verdwijnen van oude gewoontes
D
B. Het aanpassen van iets aan moderne eisen

Slide 8 - Quizvraag

Wat betekent populatie?
A
Een groep mensen, dieren of organismen die voor een onderzoek of beschrijving als geheel wordt beschouwd
B
Het aantal inwoners van een grote stad
C
De groei van het aantal inwoners in een bepaald gebied
D
Een groep mensen die dezelfde mening heeft

Slide 9 - Quizvraag

Wat betekent lexicon?
A
Een lijst met moeilijke spreekwoorden
B
De manier waarop woorden worden uitgesproken
C
Een verzameling regels voor spelling en grammatica
D
De woordenschat van een taal, persoon of bepaald vakgebied

Slide 10 - Quizvraag

Wat betekent faciliteren?
A
A. Iets gemakkelijker maken of mogelijk maken
B
B. Iemand dwingen om ergens aan mee te werken
C
C. Iets organiseren zonder hulp van anderen
D
D. Een activiteit financieel belonen

Slide 11 - Quizvraag

Wat betekent consensus?
A
Een stemming waarbij de meerderheid beslist
B
Overeenstemming tussen de betrokken personen
C
Een compromis waarbij niemand tevreden is
D
Een meningsverschil binnen een groep

Slide 12 - Quizvraag

Wat betekent connotatie?
A
De herkomst van een woord
B
De letterlijke betekenis van een woord
C
De extra gevoelswaarde of associatie die een woord oproept
D
Een woord dat precies hetzelfde betekent als een ander woord

Slide 13 - Quizvraag

Wat betekent communie?
A
C. Een bijeenkomst waarin belangrijke besluiten worden genomen
B
A. Een gesprek tussen mensen met verschillende overtuigingen
C
D. Een officiële toelating tot een geloofsgemeenschap
D
B. Een christelijk ritueel waarbij brood en soms wijn worden ontvangen

Slide 14 - Quizvraag

Wat betekent ambiguïteit?
A
Een situatie waarin mensen het volledig met elkaar eens zijn
B
Een tegenstelling tussen twee personen
C
Een ingewikkelde manier om iets uit te leggen
D
Een situatie waarin iets op meerdere manieren kan worden uitgelegd

Slide 15 - Quizvraag

Je krijgt dit bericht
Ik moet je spreken.

Slide 16 - Tekstslide

Via welk medium zou je dit bericht het minst graag ontvangen?

A. WhatsApp van een vriend
B. E-mail van je mentor
C. Brief van de Belastingdienst
D. DM van iemand die je niet kent

Slide 17 - Tekstslide

Lezen
Kern blz. 32 + opdrachten

Slide 18 - Tekstslide

The medium is the message.

Marshall McLuhan

Slide 19 - Tekstslide

Medium = de manier/technologie waarmee een boodschap wordt overgebracht.
Message = bij McLuhan méér dan de letterlijke inhoud: het effect dat het medium heeft op onze manier van communiceren, denken en samenleven.

Slide 20 - Tekstslide

https://www.youtube.com/watch?v=-IMGVmjvyFI&t=15s

Slide 21 - Tekstslide

schrijfopdracht
“Het medium is belangrijk, maar uiteindelijk bepaalt de inhoud toch wat een boodschap met iemand doet.”

https://docs.google.com/document/d/1D1lfpvdnfQ84a-eiCl5GvzcLFcOlG9EpwHUJM3KS5Oc/edit?usp=sharing

Slide 22 - Tekstslide

De universiteit organiseert extra taalcursussen om de integratie van internationale studenten te bevorderen. Wat betekent bevorderen?
A
Beoordelen
B
Stimuleren
C
Tegenhouden
D
Onderzoeken

Slide 23 - Quizvraag

De directeur benadrukte tijdens zijn toespraak dat goede examenresultaten belangrijk zijn, maar dat het welzijn van leerlingen minstens zoveel aandacht verdient. Wat betekent benadrukte?
A
Legde extra nadruk op
B
Bekritiseerde
C
Onderzocht
D
Herhaalde zonder uitleg

Slide 24 - Quizvraag

De meningen van de studenten over online onderwijs waren uiteenlopend. Sommigen waren zeer enthousiast, terwijl anderen juist veel liever op school les kregen. Wat betekent uiteenlopend?
A
Overwegend negatief
B
Goed onderbouwd
C
Sterk verschillend
D
Moeilijk te begrijpen

Slide 25 - Quizvraag

Een gebrek aan financiële middelen kan studenten belemmeren om in het buitenland te gaan studeren, zelfs wanneer zij goede studieresultaten behalen. Wat betekent belemmeren?
A
Voorbereiden
B
Verplichten
C
Tegenhouden of moeilijker maken
D
Motiveren

Slide 26 - Quizvraag

Hoewel de onderzoekers nog geen definitief bewijs hebben, vinden zij het aannemelijk dat sociale media invloed hebben op het concentratievermogen van jongeren. Wat betekent aannemelijk in deze zin?
A
Bewezen
B
Zorgwekkend
C
Onmogelijk
D
Waarschijnlijk

Slide 27 - Quizvraag

Wat betekent wezenlijke?
A
Tijdelijke
B
Onverwachte
C
Belangrijke en fundamentele
D
Kleine

Slide 28 - Quizvraag

Wat betekent veronderstellen?
A
A. Zonder zekerheid aannemen
B
C. Openlijk bekritiseren
C
B. Met onderzoek aantonen
D
D. Bewust ontkennen

Slide 29 - Quizvraag

Wat betekent toereikend?
A
C. Voldoende
B
D. Betrouwbaar
C
B. Betaalbaar
D
A. Beschikbaar

Slide 30 - Quizvraag

Wat betekent desondanks?
A
B. Bovendien
B
C. Toch
C
A. Daarom
D
D. Vervolgens

Slide 31 - Quizvraag

Wat betekent constateren?
A
A. Betreuren
B
D. Voorspellen
C
B. Vaststellen
D
C. Verklaren

Slide 32 - Quizvraag

Wat betekent bevorderen?
A
B. Iets toestaan wat eerder verboden was
B
C. Ervoor zorgen dat iets wordt gestimuleerd
C
A. Ervoor zorgen dat iets wordt gecontroleerd
D
D. Een ontwikkeling nauwkeurig onderzoeken

Slide 33 - Quizvraag

Wat betekent benadrukken?
A
A. Iets uitgebreid uitleggen
B
D. Een mening voorzichtig formuleren
C
C. Bewijzen dat iets juist is
D
B. Extra aandacht vestigen op iets

Slide 34 - Quizvraag

Wat betekent uiteenlopend?
A
D. Ongewoon of verrassend
B
B. Geleidelijk veranderend
C
A. Elkaar tegensprekend
D
C. Verschillend of gevarieerd

Slide 35 - Quizvraag

Wat betekent belemmeren?
A
D. Iets minder belangrijk maken
B
A. Iets moeilijker maken of tegenhouden
C
B. Iets volledig verbieden
D
C. Iets tijdelijk uitstellen

Slide 36 - Quizvraag

Wat betekent aannemelijk?
A
A. Verplicht om te accepteren
B
B. Waarschijnlijk of geloofwaardig
C
C. Gemakkelijk te bewijzen
D
D. Onverwacht en opvallend

Slide 37 - Quizvraag

Wat betekent wezenlijk?
A
Opvallend of bijzonder
B
Fundamenteel of van groot belang
C
Tijdelijk of veranderlijk
D
Logisch en voorspelbaar

Slide 38 - Quizvraag

Wat betekent veronderstellen?
A
Iets bewust buiten beschouwing laten
B
Iets als waar aannemen zonder bewijs
C
Iets met argumenten bewijzen
D
Een eerdere uitspraak veranderen

Slide 39 - Quizvraag

Wat betekent toereikend?
A
Gemakkelijk bereikbaar
B
Geschikt voor verschillende doeleinden
C
Betrouwbaar en nauwkeurig
D
Voldoende voor wat nodig is

Slide 40 - Quizvraag

Wat betekent desondanks?
A
In tegenstelling tot vroeger
B
Toch, ondanks wat eerder is genoemd
C
Om die reden
D
Bovendien

Slide 41 - Quizvraag

Wat betekent constateren?
A
Een mening verdedigen
B
Iets vaststellen of opmerken
C
Een conclusie in twijfel trekken
D
Iets voorspellen op basis van gegevens

Slide 42 - Quizvraag

Les 003

Slide 43 - Tekstslide