7.4 Evolutietheorie in ontwikkeling

§3: Met hulp van gidsfossielen kunnen wetenschappers aardlagen dateren. Welke fossielen zijn het best te gebruiken als gidsfossielen?
A
Een fossiel dat alleen in een bepaald gebied voorkomt.
B
Een fossiel dat wijdverspreid voorkomt.
C
Een fossiel van een soort die gedurende lange tijd op aarde heeft geleefd.
D
Een fossiel van een soort die slechts een korte tijd voorkwam.
1 / 22
volgende
Slide 1: Quizvraag
BiologieMiddelbare schoolvwoLeerjaar 4

In deze les zitten 22 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

§3: Met hulp van gidsfossielen kunnen wetenschappers aardlagen dateren. Welke fossielen zijn het best te gebruiken als gidsfossielen?
A
Een fossiel dat alleen in een bepaald gebied voorkomt.
B
Een fossiel dat wijdverspreid voorkomt.
C
Een fossiel van een soort die gedurende lange tijd op aarde heeft geleefd.
D
Een fossiel van een soort die slechts een korte tijd voorkwam.

Slide 1 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies


§3: Hoe noem je een fossiel dat de verwantschap tussen verschillende soorten verduidelijkt?

Slide 2 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

C-14 methode
Zolang een organisme leeft blijft de verhouding tussen 12C en 14C gelijk. Zodra het organisme sterft wordt de hoeveelheid 14C steeds minder en de verhouding tussen 12C en 14C verandert dus.
Meet je de verhouding, dan kun je de ouderdom van een organisme vaststellen.
Organismen ouder dan 60.000 jaar hebben te weinig 14C over voor nauwkeurige meting. Dan maken wetenschappers gebruik van andere isotopen voor de ouderdomsbepaling.

Slide 3 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

C14-methode
  • Koolstof-isotoop uit dampkring
  • Halveringstijd 5370 jaar
  • 14C:12C bepaalt leeftijd

Slide 4 - Tekstslide

Elementen worden ingedeeld naar het aantal protonen in de atoomkern. En van alle elementen bestaan varianten met een verschillend aantal neutronen in de kern. Zo'n variant heet een isotoop.
In een bepaald organisme is nog maar 6,25% C14 aanwezig. Hoe oud is dit fossiel?
A
5730 jaar
B
11460 jaar
C
17190 jaar
D
22920 jaar

Slide 5 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

§7.4: Evolutietheorie in ontwikkeling

Slide 6 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Leerdoelen
Je beschrijft theorieën over het ontstaan van de bouwstenen voor leven.
Je beschrijft theorieën over het ontstaan van de eerste prokaryote en eukaryote cellen.
Je maakt en interpreteert clades

Slide 7 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 8 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 9 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 10 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 11 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 12 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Ontstaan van de eerste organismen
1. Anaerobe heterotrofe bacteriën leefden in de zuurstofloze oersoep 
2.  Foto-autotrofe bacteriën maakten hun eigen organische stoffen via fotosynthese. Zij brachten zuurstof in de oersoep en de atmosfeer
3. Prokaryoten gebruikten de zuurstof om efficiënt energie uit organische moleculen vrij te maken.

Slide 13 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

1

Slide 14 - Video

Deze slide heeft geen instructies

01:43
Wat is het belangrijkste verschil tussen pro- en eukaryoten?

Slide 15 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Zet de stappen van de endosymbiose theorie in de juiste volgorde.
Prokarypten nemen zuurstof gebruikende bacteriën op. 
Prokarypten nemen foto-autotrofe bacteriën op. 
Er ontstaan verschillende typen prokaryoten.
Er ontstaan mitochondriën en chloroplasten

Slide 16 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat zijn argumenten voor de endosymbiose theorie?
1 of meer antwoorden zijn goed
A
Mitochondriën en chloroplasten hebben eigen DNA
B
Mitochondriën en chloroplasten delen zoals bacteriën.
C
Mitochondriën en chloroplasten hebben bacterieel DNA
D
Mitochondriën en chloroplasten delen niet.

Slide 17 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Slide 18 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Cladogram
Clade: Groep organismen die een uniek homoloog kenmerk delen. (homioloog = zelfde bouw, andere functie)
Cladogram: evolutionaire stamboom die berust op clades

  • Voor het maken van clades bestuderen onderzoekers het DNA en de eigenschappen van organismes. 
  • Computers vergelijken DNA, zoeken naar evolutionaire verbanden en plaatsen organismen in clades.
  • Convergente evolutie kan het indelen in clades soms in de war brengen (Waarom?)

Slide 19 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Geen Clade, want er is geen gemeenschappelijke voorouder
Geen Clade, want niet alle nakomelingen zitten in de groep

Slide 20 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Welk dier is het meest verwant aan dier 2 op grond van dit cladogram?
A
1
B
3
C
4
D
5

Slide 21 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Aan de slag!
Opdrachten: 28, 32, 33, 34, 35, 37
Extra oefening (context): 39, 40

Slide 22 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies