T1_L5_prijs op de markt_expl 1 tem 3

T1_L5_Hoe komt de prijs op de markt tot stand?
1 / 23
volgende
Slide 1: Tekstslide
EconomieSecundair onderwijs

In deze les zitten 23 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

T1_L5_Hoe komt de prijs op de markt tot stand?

Slide 1 - Tekstslide

AANDACHT
Lees alle informatieslides goed door alvorens naar de volgende te gaan!

Slide 2 - Tekstslide

Wat is een markt?
Een onderneming is voortdurend op zoek naar mogelijkheden om nieuwe producten op de markt te brengen. 
De markt is het geheel van de vraag naar en het aanbod van een bepaald product. Op de goederen en dienstenmarkt of productmarkt worden goederen, zoals een auto, en diensten, zoals een kappersbeurt, verhandeld tussen de verkoper en de koper.
De vraag op de goederen- en dienstenmarkt komt van de consument (=koper of vrager), het aanbod komt  van de verkoper (= producent of aanbieder).

Slide 3 - Tekstslide

De belangrijkste marktvormen zijn:
volkomen concurrentie: er zijn veel aanbieders van een homogeen product, zoals Jonagoldappels.
■ monopolie: er is maar één aanbieder, zoals bv de NMBS.
■ oligopolie: er zijn maar enkele aanbieders. Het is moeilijk om als nieuwe aanbieder toe te treden tot deze markt.
■ monopolistische concurrentie: dit is de meest voorkomende marktvorm. Er zijn veel aanbieders en de producten verschillen van elkaar op het gebied van verpakking, service, uitzicht …

Slide 4 - Tekstslide

In dit level gaan we uit van een markt van volkomen concurrentie om te kijken hoe de prijs op de markt tot stand komt.


Kenmerken markt van volkomen concurrentie (of volkomen mededinging):
  • er zijn veel aanbieders en vragers 
  • de producten zijn homogeen, zoals Jonagoldappels.
  • de markt is doorzichtig
  • Er is een vlotte toe- en uittreding tot de markt

Slide 5 - Tekstslide

KOPER
VERKOPER
Consument
producent


Vrager


aanbieder

Slide 6 - Sleepvraag

Sofie en Ann kopen een Iphone in de Mediamarkt. 
VRAGER
AANBIEDER
MARKT
Ann en Sofie
Iphone
Mediamarkt

Slide 7 - Sleepvraag

De ............................................ is het geheel van vraag naar en aanbod van een bepaald product. 
De .......................................... op de goederen- en dienstenmarkt komt van de koper, het .............................. komt van de verkoper (producent of handelaar).
vraag
aanbod
markt

Slide 8 - Sleepvraag

Lees onderstaande tekst over Jozefien

Slide 9 - Tekstslide

Hoe duurder de smoothies zijn, hoe minder de gevraagde hoeveelheid
ernaar zal zijn.
A
juist
B
fout

Slide 10 - Quizvraag

Elk individu heeft zijn eigen voorkeur voor een bepaald product. De individuele vraagcurve geeft het verband weer tussen een bepaalde prijs en de hoeveelheid die de persoon voor die prijs wil kopen.  
De vraagcurve wordt voorgesteld in een grafiek met op de x-as de gevraagde hoeveelheid en op de y-as de prijs
In de vraagcurve van Jolien naar Nike-sneakers, zie je dat ze voor de prijs van 100,00 euro, ze 3 paar sneakers wil kopen. 

Slide 11 - Tekstslide

In  symbolen:
  • De prijs geven we weer als p.
  • De gevraagde hoeveelheid geven we weer als qv.
  • De vraagcurve = V
 
  • De vraag = de hele vraagcurve en omvat alle punten op de curve.
  • De gevraagde hoeveelheid is een specifiek punt op de vraagcurve, namelijk hoeveel goederen een consument wil kopen bij een bepaalde prijs.


LET OP: de vraag (V) is niet hetzelfde als de gevraagde hoeveelheid (qv)!! 

Slide 12 - Tekstslide

Slide 13 - Tekstslide

De vraagcurve wordt gevormd door
A
de consument
B
de aanbieder
C
de producent
D
de koper

Slide 14 - Quizvraag

Hoeveel paar sneakers zal
Jolien willen kopen bij 70,00 euro?
A
3
B
4
C
5
D
6

Slide 15 - Quizvraag

Welke zin klopt bij het punt:
p = 70,00
qv = 4
A
Bij een prijs van 70,00 euro per paar, zullen 4 klanten sneakers kopen
B
Bij een prijs van 4,00 euro, zullen 70 paar schoenen verkocht worden.
C
Jolien zal 4 sneakers kopen voor een totaalprijs van 70,00 euro
D
Voor de prijs van 70,00 euro per paar, zal Jolien 4 paar sneakers vragen.

Slide 16 - Quizvraag

De vraag naar sneakers kent een dalend verloop
A
juist
B
fout

Slide 17 - Quizvraag

qv staat voor:
A
de vraag
B
de aangeboden hoeveelheid
C
het aanbod
D
de gevraagde hoeveelheid

Slide 18 - Quizvraag

Als de prijs van een product verandert, dan wijzigt de gevraagde hoeveelheid en beweeg je dus OP de vraagcurve. Je blijft op dezelfde vraagcurve maar er komt een andere gevraagde hoeveelheid tot stand.

In dit voorbeeld: 
als de prijs van een product stijgt van 4,00 naar 5,00 euro, dan daalt de gevraagde hoeveelheid van 300 stuks naar  250 stuks.

Slide 19 - Tekstslide

De ............................................. geeft weer welke hoeveelheid de koper bereid is te kopen tegen verschillende prijzen. 
De .......................................... laat grafisch zien welke hoeveelheden een koper bereid is te kopen bij uiteenlopende prijzen. 
De vraagcurve verloopt ...................................., want:
■ als de prijs stijgt, dan ............................... de gevraagde hoeveelheid;
■ als de prijs daalt, dan ................................ de gevraagde hoeveelheid.
Er is dus een negatief verband tussen de prijs en de gevraagde hoeveelheid.

daalt
vraagcurve
vraag
dalend
stijgt

Slide 20 - Sleepvraag

Hoe kan de vraag naar een product veranderen denk je?

Slide 21 - Woordweb

Ik begrijp hoe de vraagcurve verloopt, hoe ze kan verschuiven en wat het verschil is tussen vraag en gevraagde hoeveelheid.
😒🙁😐🙂😃

Slide 22 - Poll

Vervolg in je werkboek
Explore 4 p 106: kies telkens optie 1 (Nike-sneakers)
  • p 106: Vul de gegevens onder optie 1 (Nike-sneakers) aan.
  • p 107: Lees het rode kader. Schets een situatie waarbij de vraag toeneemt en daaronder waarbij de vraag afneemt. 
  • p 108: markeer of omcirkel het juiste antwoord in de tabel.
  • p. 108: zoek online op wat substitutieproducten zijn en zoek een voorbeeld.

Slide 23 - Tekstslide