Woordenschat ITTA - Nieuwsbegrip Onderzoek naar geluk

q2
Onderzoek naar geluk
Woordenschat over Nieuwsbegrip.


Welke woorden ken je al, en welke nog niet?
1 / 22
volgende
Slide 1: Tekstslide
ISKVoortgezet speciaal onderwijsLeerroute 1

In deze les zitten 22 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

q2
Onderzoek naar geluk
Woordenschat over Nieuwsbegrip.


Welke woorden ken je al, en welke nog niet?

Slide 1 - Tekstslide

Gelukkig
- Heel blij zijn.
- Je bent tevreden.

Zin: En ze leefde nog lang en gelukkig.
Zin: Ik ben al 20 jaar gelukkig getrouwd.

Slide 2 - Tekstslide

Het bewegen (WW)
- Veranderen van plaats, stand of houding.
- Gezond.

Zin: Veel bewegen is gezond!

Slide 3 - Tekstslide

De verschillende
- Niet hetzelfde maar een andere.

Zin: Er zijn veel verschillende soorten fruit.

Slide 4 - Tekstslide

Bijvoorbeeld
- mogelijkheden / om te kiezen
- wat bedoel je?

zin: Ik ga bijvoorbeeld niet lopen maar fietsen.
zin: Noem iets geks, bijvoorbeeld, alle docenten gaan nu naar huis!

Slide 5 - Tekstslide

De voldoende
- Genoeg.
- Een voldoende op een toets is een cijfer gelijk of hoger dan 6.

Zin: Ik heb een voldoende gehaald op de toets.

Slide 6 - Tekstslide

Het onderzoek
- Ergens meer over willen weten.
- Meer kennis opdoen.

Zin: Ik doe onderzoek naar de Nederlandse taal.

Slide 7 - Tekstslide

Het fluiten
- Een geluid wat je maakt door lucht uit je mond te blazen.


Zin: Kan jij fluiten?

Slide 8 - Tekstslide

Vrij
- Best, nogal
- Dit zeg je om iets te benadrukken.

Zin: Dit gebouw is vrij hoog.

Slide 9 - Tekstslide

De armoede
- Leven met weinig geld
- Arm

Zin: Mijn vriend leeft in armoede.

Slide 10 - Tekstslide

Het regeren (WW)
- (Een land) besturen.
- De koning(in) of de president. 
(De baas van het land)
Zin: Koningin Elizabeth heeft 70 jaar 214 dagen geregeerd.

Slide 11 - Tekstslide

Wanneer was jij heel erg gelukkig?

Slide 12 - Open vraag

Bij welke sport beweeg je veel?

Slide 13 - Woordweb

Maak een zin met het woord 'verschillende'

Slide 14 - Open vraag

Zet de zin in de juiste volgorde.
'bijvoorbeeld - Ik ga - naar school - de fiets - met'

Slide 15 - Open vraag

Wat betekent voldoende?
A
Weinig.
B
Genoeg.
C
Een cijfer gelijk of hoger dan 6.
D
Een cijfer gelijk of hoger dan 4.

Slide 16 - Quizvraag

Waar kan allemaal onderzoek naar gedaan worden?

Slide 17 - Woordweb

Maak een zin met het woord 'fluiten'
(let op: dit is een werkwoord! denk om de vervoeging)

Slide 18 - Open vraag

Maak een zin met het woord 'vrij'

Slide 19 - Open vraag

Wat betekent armoede?
A
Leven met weinig geld
B
Rijk
C
Heel veel geld hebben
D
Arm

Slide 20 - Quizvraag

Wie regeert Nederland?
A
Mevrouw Laura
B
Koning Willem-Alexander
C
Koningin Beatrix
D
Mark Rutte

Slide 21 - Quizvraag

Wat maakt jou vandaag gelukkig?

Slide 22 - Woordweb