Klare taal les 13 vraagwoorden

VRAAGWOORDEN
1 / 26
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsVoortgezet speciaal onderwijsLeerroute 2

In deze les zitten 26 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 2 videos.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

VRAAGWOORDEN

Slide 1 - Tekstslide

Je leert:

*wat een vraagwoord is
* welke vraagwoorden er zijn
* hoe je ze gebruikt

Slide 2 - Tekstslide

een vraagwoord gebruik je om een vraag te maken

Slide 3 - Tekstslide

ken je al een paar vraagwoorden misschien?

Slide 4 - Woordweb

vraagwoorden zijn:
wie - wat - hoe- waar- waarom - wanneer 

Slide 5 - Tekstslide

Slide 6 - Video

In het filmpje wordt ook nog WELKE gebruikt

dan kan je kiezen uit een paar dingen: welke taal, welk boek, welke school?

Slide 7 - Tekstslide

?? welk/welke?

de school = welke school
het boek = welk boek
de taal = welke taal
dus de-woord is met een -e erbij

Slide 8 - Tekstslide

WIE vraagt naar:
A
personen
B
reden
C
dingen
D
op wat voor een manier

Slide 9 - Quizvraag

WAT vraagt naar
A
personen
B
een plaats
C
dingen
D
een tijd

Slide 10 - Quizvraag

HOE vraagt naar
A
op wat voor manier
B
de tijd
C
iemands leeftijd
D
de reden

Slide 11 - Quizvraag

WAAR vraagt naar
A
een reden
B
een manier
C
een plaats
D
de tijd

Slide 12 - Quizvraag

WAAROM vraagt naar
A
een plaats
B
een reden
C
een leeftijd
D
om hoe laat

Slide 13 - Quizvraag

WANNEER
A
een jaartal
B
ochtend, middag of avond
C
een dag
D
een tijd in iemand leven

Slide 14 - Quizvraag

zinnen met vraagwoord:
Waarom ga je naar school?
Wie gaat naar de film?
Wanneer gaat hij naar zijn oma?
Wat gaan jullie doen?
Hoe maak je pannenkoeken?
Waar ligt Amsterdam?

Slide 15 - Tekstslide

dus de volgorde is:

VRAAGWOORD
WERKWOORD
PERSOON/DING/DIER/PLAATS
REST

Slide 16 - Tekstslide

vraag naar de reden dat Kayra te laat is

Slide 17 - Open vraag

vraag aan Asmaa naar het moment waarop ze naar de tandarts moet.

Slide 18 - Open vraag

je wilt weten waar het zwembad is, vraag dat.

Slide 19 - Open vraag

vraag aan Omar naar de reden dat hij niet op school komt.

Slide 20 - Open vraag

vragen zonder vraagwoord
Ik loop naar de stad
Loop ik naar de stad?
Hij heeft een lolly.
Heeft hij een lolly?
Wij hebben een konijn.
Hebben wij een konijn?

Slide 21 - Tekstslide

zet op volgorde:- ik - zwem - vandaag - in - de - zee

Slide 22 - Open vraag

mijn broer - ik - op zoek - in Duitsland -

Slide 23 - Open vraag

Slide 24 - Video

vragen?

Slide 25 - Tekstslide

Zelfstandig werken
Klare taal les 13 maken
Klaar verder in ABC

Slide 26 - Tekstslide