3 fouten met verwijswoorden

Fouten met verwijzen
1 / 36
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 3

In deze les zitten 36 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 2 videos.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Fouten met verwijzen

Slide 1 - Tekstslide

Lesplanning

  • Nakijken
  • Instructie
  • Werken


    • Afsluiten

    Slide 2 - Tekstslide

    Nakijken:
    Niks op tafel BEHALVE:
    een gekleurde pen/stift.
    1. Je schrijft je naam linksboven het HVC-logo
    2. Je streept aan wat fout is en noteert voor de vraag het aantal behaalde punten
    3. Wat je niet kunt lezen of je twijfelt aan de hoofdletter of spelling = fout!
    Alles in hoofdletters = alle hoofdletters fout!



    4. wat je niet kan lezen of je twijfelt aan de hoofdletter of spelling = fout!
    Alles in hoofdletters = alle hoofdletters fout!
    5. Tel op het laatst alle punten op en noteer die onder het HVC-logo
    6. noteer naast het aantal punten een = en noteer daar het voorlopige cijfer ---> dus niet bij cijfer!!!

    Slide 3 - Tekstslide

    Nakijken

    Slide 4 - Tekstslide

    Lesdoel(indien er tijd over is)

    Aan het einde van deze les:

    • kan ik fouten met verwijswoorden herkennen en verbeteren




    Slide 5 - Tekstslide

    Schrijf drie dingen op
    die je van
    de vorige les
    onthouden hebt.

    Slide 6 - Woordweb

    Herhaling grammatica
    Aanwijzend voornaamwoord die/dat
    Je kunt het ‘aanwijzen + de die/dat vervangen door deze/dit
    Betrekkelijk voornaamwoord die/dat
    Het verwijst naar een antecedent + de die/dat kan niet worden vervangen door deze/dit

    Betrekkelijk voornaamwoord wie/wat
    Verwijst terug naar een antecedent
    Vragend voornaamwoord wie/wat
    Verwijst niet terug naar een antecedent
    Telwoord (onbepaald) wie/wat
    Wie/wat kun je vervangen door 'een beetje'
    Onbepaald voornaamwoord wie/wat
    Wie/wat kun je vervangen door 'iets'






    Slide 7 - Tekstslide

    Verwijsfouten

    De politie (enkelvoud, vrouwelijk) trad hard op: ze arresteerden (meervoud) tien man.
    Correct is: De politie trad hard op: ze arresteerde tien man.
    De garage (vrouwelijk) is helemaal volgestouwd, hij (mannelijk) ziet er niet uit.
    Correct is: De garage is helemaal volgestouwd, ze ziet er niet uit.
    Het wijkcomité (het-woord) heeft met haar wijkbewoners gesproken.
    Correct is: het wijkcomité heeft met zijn wijkbewoners gesproken.
    Het Muntgebouw (het-woord) staat in Utrecht. Wij hebben hem (mannelijk) een keer bezichtigd.
    Correct is: Het Muntgebouw staat in Utrecht. Wij hebben het een keer bezichtigd.
    De familie (enkelvoud, vrouwelijk) gaat terug naar Colombia, omdat daar hun (meervoud) herinneringen liggen.
    Correct is: De familie gaat terug naar Colombia, omdat daar haar herinneringen liggen.

    Slide 8 - Tekstslide

    In het kort betekent dit voor formuleren
    Verwijswoorden kunnen voornaamwoorden of bijwoorden zijn.
    Persoonlijke en bezittelijke voornaamwoorden
    Bij verwijzingen met persoonlijke en bezittelijke voornaamwoorden maken we onderscheid tussen mannelijke, vrouwelijke en onzijdige woorden (het-woorden).

    • Hij en zijn verwijzen naar mannelijke (m) woorden
    • Zij en haar verwijzen naar vrouwelijke (v) woorden
    • Die en deze verwijzen naar mannelijke of vrouwelijk woorden
    • Het en zijn naar onzijdige (o) woorden
    • Dit en dat verwijzen naar onzijdige woorden
    • Namen van landen en steden zijn onzijdig

    Enkelvoud in de ene woord/zin, is bij verwijzen ook enkelvoud. Meervoud in de ene woordzin, is bij verwijzen ook meervoud.






    Slide 9 - Tekstslide

    Werk voor deze en de volgende les + huiswerk: Alvast aan het werk? 
    • je begrijpt de lesstof/theorie voldoende. In de differentiatie leg ik de spellingsregels nog een keer uit, dus bedenk goed of je ze nog echt kent!
    • je werkt in stilte en je mag niet praten of overleggen en geen vragen stellen
    • je bent echt aan het werk!
    Klaar = in stilte lezen of werken aan een ander vak

    Paragraaf 2.5, deel 2 opdracht 1 t/m 8
    + nakijken en verbeteren met een andere kleur!
    Wat niet af is = huiswerk
    Stel de volgende les vragen over fouten die je niet begreep!

    Slide 10 - Tekstslide

    Onjuist verwijzen 
    De-woorden: die en deze
    Het-woorden: dit en dat 
    • Dit meisje die daar loopt. (Niet: Deze meisje dit daar loopt)
    • Deze school en dat lokaal. (Niet: Dit school en deze lokaal)

    Hen: als het verwijswoord lv is, na een vz
    Hun: als het verwijswoord mv is en er geen vz voor staat + nooit ow
    • Anja noteert hen op de lijst. (NIET: Anja noteert hun op de lijst. 
    • Anja noteert hun gegevens op de lijst. (NIET: Anja noteert hen gegevens op de lijst.)
    • Is deze auto van hen of van jullie? (NIET: Is deze auto van hun of van jullie?)
    • Is deze auto van hun vader of van jullie vader? (NIET: Is deze auto van hen vader of van jullie vader?)

    Slide 11 - Tekstslide

    De-woorden
    Een zelfstandig naamwoord waar het lidwoord de bij staat is:
    • een mannelijk woord: de kano --> hij viel om
    • een vrouwelijk woord: de regering --> zij wordt nu gevormd
    • een woord in het meervoud: het kind --> de kinderen

    Daar kun je naar verwijzen met de aanwijzende voornaamwoorden deze en die.
    • Deze kano ligt op het land. - Die kano ligt op het land, deze moet nog het water in.
    • Deze wedstrijd is spannend. - De wedstrijd die nu bezig is. 
    • Deze boeken zijn nog niet uitgedeeld - De boeken die morgen uitgedeeld kunnen worden.



    Slide 12 - Tekstslide

    De woorden zijn mannelijk of vrouwelijk.
    Vrouwelijk zijn:
    • vrouwelijke dieren of personen
      • de-woorden met de volgende uitgangen
    Vrouwelijke woorden



    Slide 13 - Tekstslide

    Mannelijke woorden

    • Alle de-woorden die niet vrouwelijk zijn, zijn mannelijk.
    • Als je van een woord niet kunt vaststellen of het mannelijk of vrouwelijk is, mag je het beschouwen als mannelijk.

    Slide 14 - Tekstslide

    Het-woorden
    Een zelfstandig naamwoord waar het lidwoord het bij staat, 
    is een onzijdig woord --> niet mannelijk of vrouwelijk.
     Het cadeau (de cadeaus)

    Daar kun je naar verwijzen met de aanwijzende
    voornaamwoorden dit en dat.
    • Dit cadeau is heel mooi. 
    • Dat cadeau is heel mooi. Zij zullen wel blij zijn met dit
    • Het cadeau dat zij gisteren gekregen hebben.



    Slide 15 - Tekstslide

    • Namen van landen, provincies, steden en clubs 
    • Verkleinwoorden
    Onzijdige woorden - Het-woorden 

    Slide 16 - Tekstslide

    Een-woorden
    Wanneer het lidwoord een gebruikt wordt, dan kan je zien of het een de of het woord is door er een bijvoeglijk naamwoord tussen te plaatsen.
    Dat doe je zo:
    Een mooie dag --> er staat een e achter het bn --> de
    Een mooi cadeau --> er staan geen e achter het bn --> het

    Slide 17 - Tekstslide

    Ezelsbruggetje


    Deze en die gebruik je bij de-woorden
    Dit en dat gebruik je bij het-woorden



    Slide 18 - Tekstslide

    Het verwijswoord hen gebruik je als lijdend voorwerp (lv) en na een voorzetsel (vz). 
    Het verwijswoord hun gebruik je als meewerkend voorwerp (mv).

    Anja noteert hen op de lijst. (NIET: Anja noteert hun op de lijst.)
    Anja noteert hun gegevens op de lijst. (NIET: Anja noteert hen gegevens op de lijst.)
    Is deze auto van hen of van jullie? (NIET: Is deze auto van hun of van jullie?)
    Is deze auto van hun vader of van jullie vader? (NIET: Is deze auto van hen vader of van jullie vader?)
    Verwijswoorden - hen/hun

    Slide 19 - Tekstslide

    Onjuist verwijzen 
    Dat: het-woord
    • Dat lekkere brood van de bakker. (NIET: Die lekkere brood van de bakker)
    Wat: overtreffende trap, onbepaald voornaamwoord, hele zin of een deel van een zin 
    • Het beste wat mij ooit overkomen is. (NIET: Het beste dat mij ooit overkomen is.

    Aan wie: personen 
    • De leerlingen van 3H1 aan wie ik Nederlandse les geef. (NIET: De leerlingen van 3H1 waaraan ik Nederlandse les geef.)
    Waaraan: zaken + dingen 
    • De opdrachten waaraan wij gewerkt hebben. (NIET: De opdrachten aan wie wij gewerkt hebben.

    Wat: verwijst naar dat en datgene, een onbepaald voornaamwoord (alles, iets, niets en het enige), een overtreffende trap (het beste) en een hele zin
    • Er stond een lange file voor de brug, wat behoorlijk tegenviel. (NIET: Er stond een lange file voor de brug, dat behoorlijk tegenviel.

    Slide 20 - Tekstslide

    Naar dieren en dingen verwijs je met daar/waar+voorzetsel (daarvan, waarover) 
    • Het paard waarover gesproken werd, is het paard van Sinterklaas. (NIET: Het paard waarvan gesproken werd, is het paard van Sinterklaas.)

    Naar mensen verwijs je met voorzetsel+wie (van wie, over wie)
    • De SRV-man bij wie ik wekelijks boodschappen doe, beschikt over een luxe wagen, waarmee hij door het dorp rijdt. (NIET: De SRV-man bij wie ik wekelijks boodschappen doe, beschikt over een luxe wagen, met wie hij door het dorp rijdt.)
    Verwijswoorden - dieren/mensen

    Slide 21 - Tekstslide

    Fout: De koninklijke familie dankt zijn status aan Willem van Oranje, de Vader des Vaderlands.
    --> Het woord familie is vrouwelijk, dus zijn moet haar zijn.

    Goed: De koninklijke familie dankt zijn status aan Willem van Oranje, de Vader des Vaderlands.
    Fouten met verwijswoorden

    Slide 22 - Tekstslide

    Fout: Veel Amerikanen weten niet dat New York vroeger Nieuw Amsterdam heette, maar daar kun je hen niet de schuld van geven als ze er op school niets over geleerd hebben.
    --> Na een voorzetsel en als lijdend voorwerp gebruik je hen, maar als meewerkend voorwerp zonder voorzetsel gebruik je hun: hen moet hun zijn.

    Goed: Veel Amerikanen weten niet dat New York vroeger Nieuw Amsterdam heette, daar kun je hen niet de schuld van geven als ze er op school niets over geleerd hebben.
    Fouten met verwijswoorden

    Slide 23 - Tekstslide

    Fout: Finland staat al jaren bekend om haar uitstekende onderwijsresultaten.
    --> Namen van landen, provincies, steden en clubs en ook verkleinwoorden zijn het-woorden, waarnaar je verwijst met het en zijn: haar moet zijn zijn.

    Goed: Finland staat al jaren bekend om zijn uitstekende onderwijsresultaten.

    Fouten met verwijswoorden

    Slide 24 - Tekstslide

    Fout: Onze zeehelden, waarnaar in veel steden straten zijn vernoemd, waren geen lieverdjes.
    --> Naar dieren en dingen verwijs je met waar+voorzetsel (waarover, waarvoor enz.), maar naar mensen met voorzetsel + wie (over wie, voor wie enz.), dus waarnaar moet naar wie zijn.

    Goed: Onze zeehelden, naar wie in veel steden straten zijn 
    vernoemd, waren geen lieverdjes.

    Fouten met verwijswoorden

    Slide 25 - Tekstslide

    Fout: Het mooiste dat ik ooit voor mijn verjaardag heb gekregen, is een gouden armband.
    --> Het verwijswoord wat gebruik je om te verwijzen naar een overtreffende trap: mooiste is een overtreffende trap, dus dat moet wat zijn.
    Goed: Het mooiste wat ik ooit voor mijn verjaardag heb gekregen, is een gouden armband.
    Fouten met verwijswoorden

    Slide 26 - Tekstslide

    Fouten met verwijswoorden
    1. Onjuist verwijzen
    Je gebruikt het verkeerde verwijswoord om naar een ander woord (of een woordgroep) in de zin te verwijzen --> het antecedent 

    2. Onduidelijk verwijzen
    Het gebruikte verwijswoord kan naar meerdere woorden of woordgroepen in de zin verwijzen of het verwijswoord verwijst naar iets wat niet in de tekst staat.

    Slide 27 - Tekstslide

    Onduidelijk verwijzen 
    Soms wijst een verwijswoord terug naar iets wat niet in de tekst staat. De zin is dan incorrect. 
    Soms ontstaat onduidelijkheid doordat er meer dan één antecedent mogelijk is. 

    • Er is een groot tekort aan donororganen, terwijl iedereen het kan doen. 
    --> het = organen doneren en niet donororganen



    Slide 28 - Tekstslide

    Slide 29 - Video

    Slide 30 - Video

    Werk voor tijdens de les en huiswerk voor maandag
    H2, formulering, blz. 64/65, opdracht 3
    H3, formuleren, blz. 96/97, startopdracht + opdracht 1, 2, 3 
    +nakijken en verbeteren met een andere kleur --> stel vragen over opdrachten tijdens de volgende les

    Wat niet af is  = huiswerk!
    timer
    10:00

    Slide 31 - Tekstslide

    Werk voor de deze les (als er tijd over is) + huiswerk: 

    2.5, deel 2, opdracht 1 t/m 8
    +nakijken en verbeteren met een andere kleur!

    Klaar = lezen uit je leesboek

    timer
    10:00

    Slide 32 - Tekstslide

    Aan het einde van deze les kan fouten met verwijswoorden herkennen en verbeteren.
    😒🙁😐🙂😃

    Slide 33 - Poll

    Lesdoel

    Aan het einde van deze les kan ik fouten met verwijswoorden herkennen en verbeteren.



    Slide 34 - Tekstslide

    Reflectie:
    Wat ging bij jou goed tijdens deze les?
    Wat kan nog iets beter?

    Slide 35 - Open vraag

    Feedback:
    Wat vond je fijn/goed aan deze les?
    Wat zou je liever anders willen zien?

    Slide 36 - Open vraag