Theme 4 herhaling grammar

WHAT????


A relative clause? ? ?
1 / 41
volgende
Slide 1: Tekstslide
English

In deze les zitten 41 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

WHAT????


A relative clause? ? ?

Slide 1 - Tekstslide

How to use it??
  • who      - als je wilt verwijzen naar personen
  • which  - als je verwijst naar dieren en dingen
  • that      - als je verwijst naar personen, dieren, dingen
  • whose - als je verwijst naar bezit van personen


Als er een komma voor who / which staat, kun je het niet vervangen door that

Slide 2 - Tekstslide

We had spaghetti .... is my favourite meal, for dinner last night.
A
whom
B
whose
C
which
D
who

Slide 3 - Quizvraag

welke 2 woorden horen bij personen?
A
who and that
B
who and which
C
which and whom
D
whose and who

Slide 4 - Quizvraag

The boy ………... cat just died will stay at home today.
A
whom
B
which
C
whose
D
that

Slide 5 - Quizvraag

Wanneer kun je een betrekkelijk voornaamwoord weglaten uit de zin?
A
Alleen bij zinnen waar het niet tussen komma's staat
B
Dit kan alleen bij who, which, that
C
Niet
D
Altijd

Slide 6 - Quizvraag

This is the woman .......
asked Tim for money yesterday.
A
who
B
which

Slide 7 - Quizvraag

This is the action film ...... I like so much!
A
Who
B
Which
C
That

Slide 8 - Quizvraag

Wel of geen "that" ?
The only Bond film ... I like is Skyfall.
A
Wel
B
Geen

Slide 9 - Quizvraag

Wel of geen "who" ?
Thom, .... is in my class, is 15 years old.
A
Wel
B
Geen

Slide 10 - Quizvraag

Susan (to play)... a nice song on the piano.
A
play
B
plays
C
is playing
D
are playing

Slide 12 - Quizvraag

He (to play)... the guitar in a band every Friday.
A
play
B
plays
C
is playing
D
am playing

Slide 13 - Quizvraag

Present simple vs present continuous
SIMPLE!
Hoe? Verb
He, she, it? Verb + S
Use: gewoonte, routine,
vaak of juist nooit
In combinatie met always,
often, never, every day/week
CONTINUOUS
Hoe? To be + verb+ ING

Use: als iets NU bezig is en nog even duurt
In combinatie met: now, right now, at this moment

Slide 14 - Tekstslide

We (to eat) ... a nice dinner now.
A
eat
B
eating
C
is eating
D
are eating

Slide 15 - Quizvraag

We always (to eat) ... chicken on Monday.
A
eat
B
eats
C
are eating
D
is eating

Slide 16 - Quizvraag

I (to go) ... to school by bus each day.
A
go
B
goes
C
am going
D
are going

Slide 17 - Quizvraag

Messi is playing football.
(right now)
Messi plays football.
(but NOT at the moment)

Slide 18 - Tekstslide

1. I like scary movies.
2. He is walking the dog.
3. We are dancing all night long.
4. She plays the piano.
5. They are my parents.
Present Simple
Present Continuous
1
2
3
4
5

Slide 19 - Sleepvraag

Present Simple
signal words
Present Continuous
signal words
Never
Now
Listen!
At the moment
Often
Every day
Sometimes

Slide 20 - Sleepvraag

Remember the SHIT rule?
How to make a simple present.
shit + s
SHE SMELLS NICE.
HE    SMELLS NICE.
IT       DOES NOT SMELL NICE.

Slide 21 - Tekstslide

You ___ in London.
A
live
B
lives

Slide 22 - Quizvraag

It never ___ in Death Valley.
A
rain
B
rains

Slide 23 - Quizvraag

write down what is going on

Slide 24 - Open vraag

Click on the question mark and drag it to the right spot.
1. The paint is falling
2. They are dancing to music.
3. They are cooking.
4. the man is looking at a mine.
5. The man is hanging from a helicopter.
6. The angry man is banging against the ceiling.
7. The shark is grinning.

Slide 25 - Tekstslide

You're the reason why I .... in the mirror,
.... in the shower.
present continuous-1

Slide 26 - Open vraag

Listen and fill in the gaps:
'Cause today I swear I ... anything.
present continuous-2

Slide 27 - Open vraag

Listen and fill in the gaps:
... and so are you.
present continuous-3

Slide 28 - Open vraag

Listen and fill in the gaps:
... at me. ... , wonderin' what she's thinking
present continuous-4

Slide 29 - Open vraag

How many times do I have to tell you? Even when ...
you are beautiful too.
present continuous-5
4. the man is looking at a mine.

Slide 30 - Open vraag

Listen and fill in the gaps: The clock ... ... so stay.
4. the man is looking at a mine.
present continuous-6

Slide 31 - Open vraag

So comfortable we ... ...
in a bubble, bubble.
4. the man is looking at a mine.
present continuous-7

Slide 32 - Open vraag

Bezittelijke voornaamwoorden

Gebruik: om aan te geven van wie iets is.

Dit kun je op twee manieren doen.

Bij elke persoon kun je twee manieren gebruiken.


This is my Ipad.
This Ipad is mine.

Slide 33 - Tekstslide

De twee vormen

my (mijn)  / mine (van mij)

 your (jouw, uw) /yours (van jou)

his (zijn) / his (van hem)
her (haar) / hers (van haar)
Its (zijn/haar) / x



Slide 34 - Tekstslide

Verschil

De eerste vorm van deze bezittelijke vnwen wordt in een zin bijvoeglijk gebruikt.


Is this your pen?


'your' zegt iets over het zelfstandig nw 'pen'.

Slide 35 - Tekstslide

Verschil

De tweede vorm van de bezittelijke vnwen wordt
zelfstandig gebruikt.

Is this your pen or is it mine?


Deze voornaamwoorden vervangen een eerder genoemd zelfstandig naamwoord.

Slide 36 - Tekstslide

I can't believe this house is (van mij)

Slide 37 - Open vraag

Anna went to New York, ......(haar) favourite city

Slide 38 - Open vraag

Let me know what (uw) plans are.

Slide 39 - Open vraag

Sorry, but this umbrella is (van ons)

Slide 40 - Open vraag

This is (hun) garden.

Slide 41 - Open vraag