§2.5 rekenen met massa's

§2.5 Massa's en reacties

Je leert de wet van behoud van massa te gebruiken.
Je leert rekenen met massaverhouding van een reactie.
Je leert wat overmaat is en hoe je die kan berekenen
1 / 19
volgende
Slide 1: Tekstslide
ScheikundeMiddelbare schoolvwoLeerjaar 3

In deze les zitten 19 slides, met tekstslides.

time-iconLesduur is: 20 min

Onderdelen in deze les

§2.5 Massa's en reacties

Je leert de wet van behoud van massa te gebruiken.
Je leert rekenen met massaverhouding van een reactie.
Je leert wat overmaat is en hoe je die kan berekenen

Slide 1 - Tekstslide

Wet van behoud van massa
Er kan geen massa verschijnen of verdwijnen.
Massa: g. kg, mg, ton

Slide 2 - Tekstslide

Slide 3 - Tekstslide

Wet van behoud van massa
massa's van beginstoffen samen = massa van de reactieproducten samen
                              3 g             =           3 g
                          6 ton             =         6 ton
                   
a  +  b --> c
5 g + 11 g --> 16 g
         a  -->  b    +    c    +    d
17 mg  --> 3 mg  + 5 mg + 9 mg

Slide 4 - Tekstslide

wet van behoud van massa

aluminium (s)   +  zuurstof (g)   --> aluminiumoxide (s)

9  g              +             ?          =                  17 g

?           +           80 kg           =            170 kg
gassen hebben ook massa!

Slide 5 - Tekstslide

wet van behoud van massa
waterstofchloride (g) + ammoniak (g) ->  salmiak (s)

             3,6  mg        +      1,7  mg    ->     ......                                                        
7,2  kg     +   ............  kg     ->    10,6  kg                           

Slide 6 - Tekstslide

stoffen reageren met elkaar in een constante massaverhouding

koolstof (s)   +   zuurstof (g).     ->   koolstofdioxide (g)
3   g           :              8  g       ->                                         


Voor elke soort reactie is de massaverhouding anders!!!!!

Slide 7 - Tekstslide

massa verhouding
koolstof (s)   +   zuurstof (g).     ->   koolstofdioxide (g)
            3            :           8     

 30 gram koolstof, hoeveel zuurstof reageert er?
477 Kg koolstof, hoeveel zuurstof reageert er?                                     

gebruik verhoudingstabellen !


koolstof
zuurstof
      3
    8
477
(477 x 8 ) : 3
kruislings vermenigvuldigen

Slide 8 - Tekstslide

aluminium (s)   + zuurstof (g)  -> aluminiumoxide (s)
         9        :     8                                                

Hoeveel gram aluminium reageert er met 25 g zuurstof?


aluminium
zuurstof
   9
   8
   25

Slide 9 - Tekstslide

aluminium (s)   + zuurstof (g)  -> aluminiumoxide (s)
         9        :     8                                                

Hoeveel gram aluminium reageert er met 25 g zuurstof?


aluminium
zuurstof
   9
   8
(9 x 25) : 8
   25

Slide 10 - Tekstslide

             Hoeveel zuurstof reageert er met 26 gram ijzer?
Hoeveel gram ijzeroxide ontstaat er dan?




                                        ijzer   +    zuurstof  ->  ijzeroxide
massaverhouding         31     :       10           ->         :   41
IJzer
zuurstof

Slide 11 - Tekstslide

             Hoeveel gram zuurstof reageert er met 26 gram ijzer?
Hoeveel gram ijzeroxide ontstaat er dan?




                                        ijzer   +    zuurstof  ->  ijzeroxide
massaverhouding         31     :       10                      -> 41
IJzer
zuurstof
  31
   10
 26
 (10 x 26)
 : 31 = 8,4 g

Slide 12 - Tekstslide

                  rekenen met de wet van behoud van massa
rekenen met massaverhoudingen
koolstof (s)   +   zuurstof (g) ->   koolstofdioxide (g)
3   g         :      8 g     ->                             
Hoeveel gram zuurstof reageert met 20 gram koolstof?
Hoeveel koolstofdioxide ontstaat er dan?

     


vorige les
koolstof
zuurstof
  3
  8
 20

Slide 13 - Tekstslide

vandaag leer je een overmaat uit te rekenen

Daarvoor gebruik je wat we vorige les geleerd hebben.
= wet van behoud ven massa
= rekenen met massa verhoudingen

Slide 14 - Tekstslide

We hebben 22 g koolstof en 55 g zuurstof.
We houden een stof over, want dit is niet de perfecte verhouding (3:8).     Hoeveel houd je over?

koolstof (s)   +   zuurstof (g) ->   koolstofdioxide (g)
        3   g         :      8 g              ->              
koolstof
zuurstof
  3
  8
 22
koolstof
zuurstof
  3
  8
 55
gebruik nu 2 tabellen!!

Slide 15 - Tekstslide

We hebben 22 g koolstof en 55 g zuurstof.
We houden een stof over, want dit is niet de perfecte verhouding (3:8).    
overmaat?

koolstof (s)   +   zuurstof (g) ->   koolstofdioxide (g)
        3   g         :      8 g              ->              
koolstof
zuurstof
  3
  8
 22
22 x 8 : 3 = 59
koolstof
zuurstof
  3
  8
3 x 55 : 8 = 21
 55
gebruik nu 2 tabellen!!
<- deze kan niet, te weinig zuurstof

                                       deze kan wel ->
je houdt 22 - 21 = 1 gram koolstof over = overmaat

Slide 16 - Tekstslide

aluminium     +      zuurstof  --> aluminiumoxide
9        :          8                              17  
Je hebt 210 g  aluminium  en  230 g zuurstof.
Welke stof is er in overmaat aanwezig?
Hoeveel gram is je overmaat?
overmaat gevraagd?  gebruik 2 tabellen!!
aluminium
zuurstof
  9
  8
210
aluminium
zuurstof
   9
   8
230

Slide 17 - Tekstslide

aluminium     +      zuurstof  --> aluminiumoxide
9        :          8                              17  
Je hebt 210 g  aluminium  en  230 g zuurstof.
Welke stof is er in overmaat aanwezig?  zuurstof

Hoeveel gram is je overmaat?
230 - 187 = 43 g


overmaat gevraagd?  gebruik 2 tabellen!!
aluminium
zuurstof
  9
  8
210
(210 x 8)  : 9 =  187
aluminium
zuurstof
   9
   8
(9 x 230 ) : 8 = 259
230

Slide 18 - Tekstslide

Slide 19 - Tekstslide