Les van 7 december

Les van 7 december
Wat gaan we doen?
- Taaltest? ;
- oefenen werkwoorden;
- dictee;
1 / 39
volgende
Slide 1: Tekstslide
Nederlands8th Grade

In deze les zitten 39 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

Les van 7 december
Wat gaan we doen?
- Taaltest? ;
- oefenen werkwoorden;
- dictee;

Slide 1 - Tekstslide

Benoem de zinsdelen
Benoem de roodgedrukte zinsdelen in de volgende zinnen:

Slide 2 - Tekstslide


1. Hoog in de boom brak een dikke tak af.

Slide 3 - Open vraag


2. De finale van de skiwedstrijd zal vanwege de slechte weersomstandigheden komen te vervallen.

Slide 4 - Open vraag


3. De ijverige winkelbediende sluit iedere avond de hele winkel af.

Slide 5 - Open vraag


4. Wybe heeft gisteren een uitgebreid verslag van het overleg aan de directie gemaild.

Slide 6 - Open vraag


5. Heeft de meester een lastige vraag aan de leerlingen gesteld tijdens de interessante les?

Slide 7 - Open vraag

Benoem alle zinsdelen
Benoem ALLE zinsdelen in de volgende zinnen:

Slide 8 - Tekstslide

6. Gisteren hebben de leerlingen van groep 8 tijdens de pauze een mooi gedicht geschreven voor hun favoriete juffrouw.

Slide 9 - Open vraag

Voegwoord
Kies het voegwoord met de juiste betekenis:

Slide 10 - Tekstslide

7. Stef heeft een probleem. Hij wil op tijd op school zijn,....... hij heeft zich verslapen.

Kies uit: en, maar

Slide 11 - Open vraag

Samengestelde zin
Maak van de twee enkelvoudige zinnen een samengestelde zin en gebruik een voegwoord:

Slide 12 - Tekstslide

8. Eef wil kampioen worden. Eef traint iedere dag drie uur, ......... ze kampioen kan worden.
Kies uit: zodra, zodat

Slide 13 - Open vraag

8. Ik koop een nieuw laptop. Mijn oude laptop is stuk.

Slide 14 - Open vraag

9. Siem wil naar het concert van zijn favoriete groep. Hij heeft geen geld voor een kaartje.

Slide 15 - Open vraag

Ond. op de juiste plek.
Bij een samengestelde zin  vul je twee onderwerpen in.

               enkelvoud                                 meervoud
         1e         2e       3e                         1e          2e           3e 
                 persoon                                      persoon

Slide 16 - Tekstslide

10. Vul het onderwerp van de zin op de juiste plek in.

                enkelvoud                                 meervoud
         1e         2e       3e                         1e          2e           3e 
                 persoon                                      persoon


1) Heeft hij jou al eens ontmoet?

2) Dave is te laat, dus wij beginnen vast met eten.

Slide 17 - Tekstslide

Enkelvoud of meervoud:
Zet de volgende zinnen  in een andere persoon enkelvoud of meervoud:

Slide 18 - Tekstslide

11. Eva woont in een drukke straat.

Zet in 2e persoon meervoud

Slide 19 - Open vraag

12. Michiel gaat naar het theater en Daan gaat naar de sportschool.
2e persoon enkelvoud en 1e persoon meervoud

Slide 20 - Open vraag

Afkortingen:
Wat is de betekenis van de volgende afkortingen?:

Slide 21 - Tekstslide

13. De ambulancebroeder heeft een EHBO-diploma.

Slide 22 - Open vraag

Afkortingen:
Geef de afkorting van de woorden die je kunt afkorten.

    

Slide 23 - Tekstslide

14 A. Het verven van de muur is niet goed gegaan, met andere woorden het moet opnieuw.

Slide 24 - Open vraag

14 B. Kook vervolgens 1 kilogram aardappelen tot ze goed gaar zijn.

Slide 25 - Open vraag

Achtervoegsels:
Zet het juiste achtervoegsel  in de zin:

Slide 26 - Tekstslide

15 A. Het verschil in eindtijd is heel klein. Op de streep was het verschil niet zicht......

Kies uit: heid, lijk, baar, loos, zaam, rijk.

Slide 27 - Open vraag

15 B. Mijn broertje helpt met tafel dekken. Mijn tante vindt hem erg behulp.......

Kies uit: heid, lijk, baar, loos, zaam, rijk.

Slide 28 - Open vraag

Roodgedrukte woord:
Wat betekent het roodgedrukte woord:

Slide 29 - Tekstslide


16 A. Door de sneeuwval is het dorp onbereikbaar.
A
goed te bereiken
B
moeilijk te bereiken
C
niet te bereiken

Slide 30 - Quizvraag


16 B. Dit is door een rechterlijk besluit verboden.
A
van de rechter
B
door alle rechters samen
C
zonder rechters

Slide 31 - Quizvraag

Beschouwing
Hoe schrijf ik een beschouwing?

Slide 32 - Tekstslide

Wat is een beschouwing
Een beschouwing is een tekst waarin de schrijver een onderwerp van verschillende kanten bekijkt.

Je geeft meerdere meningen: niet alleen jouw eigen mening, maar ook wat anderen vinden.

Aan het einde mag je wél zeggen wat jij ervan vindt, maar dat hoeft niet per se (dat kan ik je conclusie).

Slide 33 - Tekstslide

Belangrijkste kenmerken
- Het onderwerp wordt van verschillende kanten belicht.
(Bijv. voordelen én nadelen, redenen om iets wél én niet te doen.)

- Je geeft meerdere meningen, niet één duidelijke mening zoals bij een betoog.

- Je probeert de lezer aan het denken te zetten.

- Je kiest geen harde kant zoals bij een betoog.


Slide 34 - Tekstslide

Voorbeeld
Onderwerp: Moet telefoongebruik op school worden verboden?

In een beschouwing vertel je:
- Wat sommigen vinden: “Sommige mensen vinden dat telefoons afleiden.”
- Wat anderen vinden: “Anderen zeggen dat een telefoon handig is voor   planning en veiligheid.”
- Je geeft misschien aan het einde jouw mening, maar je zegt niet dat de ander ongelijk heeft.

Slide 35 - Tekstslide

Een beschouwing is een denktekst.

- Je laat de lezer verschillende kanten van een onderwerp zien.

- Je zegt niet meteen wat beter is, maar je helpt de lezer om zelf een mening te vormen.

Slide 36 - Tekstslide

Verschil betoog, beschouwing en uiteenzetting
Wat is het verschil tussen een betoog, een beschouwing en een uiteenzetting?

Betoog = Beïnvloeden

Beschouwing = Beschouwen → kijken naar verschillende kanten

Uiteenzetting = Uitleggen
V

Slide 37 - Tekstslide


Tekst

Slide 38 - Open vraag


Tekst

Slide 39 - Open vraag