Aaneenschrijven, tussenklanken en koppelteken

Aaneenschrijven en tussenklanken
1 / 28
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMBOStudiejaar 1

In deze les zitten 28 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 2 videos.

Onderdelen in deze les

Aaneenschrijven en tussenklanken

Slide 1 - Tekstslide

Samenstelling
Een woord dat uit twee of meer woorden bestaat. 

Eén of meer zelfstandige naamwoorden = samenstelling 
-> schrijf je aan elkaar. 

Samenstellingen met werkwoorden of bijv. nw = niet altijd een samenstelling
-> zoek op in woordenboek





Modetrend (mode + trend) 
Automonteur (auto + monteur)
Langeafstandsloper (lange + afstand + s + loper) 
piano spelen 

Slide 2 - Tekstslide

De algemene regel voor het aaneenschrijven van woorden is: samengestelde woorden schrijf je zoveel mogelijk aan elkaar, zolang dat geen lees- of uitspraakproblemen met zich meebrengt.

Slide 3 - Tekstslide

Maak een samenstelling van de woorden:
buur + ruzie

Slide 4 - Open vraag

Maak een samenstelling van:
maan + schijn

Slide 5 - Open vraag

Maak een samenstelling van:
kip + soep

Slide 6 - Open vraag

Maak een samenstelling van de woorden:
groente + soep

Slide 7 - Open vraag

Samenstellingen

Soms moet je tussenletters gebruiken om een goede samenstelling te maken. 


fiets + maker = fietsenmaker

snot + bel = snottebel

dorp + café = dorpscafé


Slide 8 - Tekstslide

Slide 9 - Tekstslide

Koppelteken: Bij klinkerbotsingen
  • zee-eend
  • toe-eigenen
  • foto-onderschrift

Slide 10 - Tekstslide

0

Slide 11 - Video

Hoe schrijf je: stereoinstallatie
A
stereo-installatie
B
stereoinstalatie
C
stereoïnstalatie
D
stereo-instalatie

Slide 12 - Quizvraag

Hoe maak je de samenstelling:
beer + gezellig
A
berengezellig
B
beregezellig
C
beergezellig
D
beregezellie

Slide 13 - Quizvraag

Hoe schrijf je: familie + accommodatie
A
familie-accommodatie
B
familieaccommodatie
C
familieacommodatie
D
familie-accomodatie

Slide 14 - Quizvraag

Slide 15 - Video

Wat is de juiste schrijfwijze van
A
hondehok
B
hondenhok

Slide 16 - Quizvraag

Wat is juist?
A
aspergessoep
B
aspergesoep
C
aspergensoep

Slide 17 - Quizvraag

Wat is juist?
A
rode kool
B
rodenkool
C
rodekool

Slide 18 - Quizvraag

Wat is juist?
A
kippesoep
B
kippensoep

Slide 19 - Quizvraag

Wat is juist?
A
gedaantenverwisseling
B
gedaanteverwisseling

Slide 20 - Quizvraag

Wat is juist?
A
prinsesseboontjes
B
prinsessenboontjes

Slide 21 - Quizvraag

Wat is juist?
A
hartelust
B
hartenlust

Slide 22 - Quizvraag

Wat is juist?
A
Stationstraat
B
Stationsstraat

Slide 23 - Quizvraag

Wat is juist?
A
Dorpstraat
B
Dorpsstraat

Slide 24 - Quizvraag

Wat is juist?
A
alleszinds
B
allezins
C
alleszins

Slide 25 - Quizvraag

Wat is juist?
A
dorpscafe
B
dorpscafé
C
dorpcafé

Slide 26 - Quizvraag

Wat is juist?
A
reuzenleuk
B
reuzeleuk

Slide 27 - Quizvraag

Maken: Studiemeter
Via Starttaalonline – 3F – Spelling – Aaneenschrijven en tussenklanken – 3 oefeningen en de deeltoets

Slide 28 - Tekstslide