Groene vormgeving en verkoop kl2 terugblik op module

Met winkelvorm wordt bedoeld
A
de winkelinrichting
B
de kleuren van de winkel
C
het soort winkel
D
de totale uitstraling van de winkel.
1 / 33
volgende
Slide 1: Quizvraag
Mens & NatuurMiddelbare schoolvmbo kLeerjaar 2

In deze les zitten 33 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

Met winkelvorm wordt bedoeld
A
de winkelinrichting
B
de kleuren van de winkel
C
het soort winkel
D
de totale uitstraling van de winkel.

Slide 1 - Quizvraag

Noem een winkelvorm die je kent.

Slide 2 - Woordweb

Dit is een voorbeeld van een groene winkelvorm:
A
kringloopwinkel
B
bloemenstal
C
drogist
D
bouwmarkt

Slide 3 - Quizvraag

Met een winkelvorm wordt bedoeld...
A
De vorm waarin de winkel is gebouwd.
B
De kleuren waarmee de winkel is vormgegeven.
C
De opzet voor de winkel in grote lijnen.

Slide 4 - Quizvraag

Geef een voorbeeld van een groene winkelvorm

Slide 5 - Open vraag

Boerderijwinkel
Markt
Speciaalzaak
Tuincentrum
Webshop
Verkoopt maar een paar soorten producten die bij elkaar passen. 
Verkoopt van alles online, vaak in combinatie met een winkel. 
Verkoopt vlees, zuivel, groenten, fruit enz van eigen boerderij. 
Een grote winkel, vaak buiten het centrum. Verkoopt bomen, planten, tuingereedschap, tuinmeubelen enz. 
Producten zoals stoffen, vis, groenten en fruit, bloemen, brood, noten enz worden verkocht op een openbare plek in dorp of stad. 

Slide 6 - Sleepvraag

Met een winkelformule wordt bedoeld
A
De inrichting, presentatie en huisstijl van de winkel.
B
De berekening van het aantal te verkopen producten.
C
De manier waarop de winkelier klanten naar binnen lokt.

Slide 7 - Quizvraag

Een groot bedrijf met veel winkelvestigingen noemen we:
A
Een doelgroep
B
Een winkelketen
C
Een winkelformule
D
Een imago

Slide 8 - Quizvraag

De winkel die je ziet is
A
Een zelfstandige winkel met een webshop
B
Een winkelketen met een webshop

Slide 9 - Quizvraag

Bij de productie van duurzame producten wordt er voorzichtig omgegaan met: 
  • De mens
  • Het milieu
  • De economie

Slide 10 - Tekstslide

Wat is een voorbeeld van een duurzaam product?
A
Een plastic waterflesje
B
Een hervulbare dopper

Slide 11 - Quizvraag

Welk voorbeeld is het meest duurzaam?
A
Al je plastic verzamelen in een plastic afvalzak.
B
Je groenten weggooien in een biologisch afbreekbaar afvalzakje.

Slide 12 - Quizvraag

Een biologisch afbreekbaar product is minder slecht voor het milieu.

Slide 13 - Tekstslide

Een keurmerk
is een bewijs dat een product aan bepaalde eisen voldoet. 

Slide 14 - Tekstslide

Dit keurmerk staat voor
A
Duurzaam hout, geen schade aan het bos.
B
Biologische landbouw, het product voldoet aan de EU regels.
C
Kwaliteit potgrond en substraat, het product en schoon en van juiste kwaliteit.

Slide 15 - Quizvraag

Een ondernemer doet aan duurzaam ondernemen als hij of zij extra rekening houdt met mens, milieu en economie.

Slide 16 - Tekstslide

Wanneer is er sprake van duurzaam ondernemen?
A
Producten uit het buitenland inkopen.
B
Streekproducten inkopen.

Slide 17 - Quizvraag

Wanneer is er sprake van duurzaam ondernemen?
A
Kunststof potten voor opkweek gebruiken.
B
Biologisch afbreekbare potten voor opkweek gebruiken.

Slide 18 - Quizvraag

De techniek die bij dit boeket
gebruikt is noem je:
A
Biedermeier
B
Korenschoof
C
paralelschikking
D
Vegetatieve schikking

Slide 19 - Quizvraag

Met winkelformule wordt bedoeld
A
De winkelinrichting
B
De kleuren van de winkel,
C
Het soort winkel
D
De totale uitstraling van de winkel.

Slide 20 - Quizvraag

Een corsage is:
A
Een klein bloemwerkje voor op kleding
B
Het boeket voor de bruid
C
Een rouwboeket
D
Bloemen op de trouwauto.

Slide 21 - Quizvraag

Bij een bloemenveiling:
A
worden bloemen alleen gekweekt
B
worden bloemen gekweekt en verkocht
C
worden bloemen uit de hele wereld verzameld
D
worden bloemen van kwekers over de hele wereld verhandeld.

Slide 22 - Quizvraag

WAT KLOPT NIET?

Bij een bloemenveiling:
A
wordt er op de klok verkocht
B
mag iedereen bloemen kopen
C
kan er op bloemen geboden worden
D
worden bloemen gekoeld

Slide 23 - Quizvraag

Bloemen op de bloemenveiling worden gekoeld omdat
A
ze dan lekker slapen
B
de kleur dan goed blijft
C
ze langer houdbaar zijn
D
de keurmeester ze beter kan beoordelen

Slide 24 - Quizvraag

Het bloemwerk op het plaatje
is een:
A
Biedermeier
B
Korenschoof
C
paralelschikking
D
Vegetatieve schikking

Slide 25 - Quizvraag

Dit is géén kenmerk van een Vegetatieve schikking:
A
Bloemen en planten groeien in de natuur bij elkaar
B
Er zijn alleen natuurlijke materialen gebruikt
C
Er worden kralen gebruikt als versiering
D
Het materiaal is gestoken zoals het in de natuur groeit

Slide 26 - Quizvraag

Het bloemwerk op het plaatje
is een:
A
Biedermeier
B
Korenschoof
C
paralelschikking
D
Vegetatieve schikking

Slide 27 - Quizvraag

Dit is géén kenmerk van een biedermeier op steekschuim:
A
het heeft een bindpunt
B
de stelen zijn schuin afgesneden
C
het is rond
D
de stelen zijn naar het midden gestoken

Slide 28 - Quizvraag

Het punt waar je een handgeschikt boeket vastbind noem je:
A
het middelpunt
B
het bindpunt
C
het knooppunt
D
het schikpunt

Slide 29 - Quizvraag

Welke kosten moet een bloemist in rekening brengen om de klantprijs (wat de klant moet betalen) te kunnen berekenen?
Noem er minstens 2.

Slide 30 - Open vraag

Inkoopprijs
Materiaalkosten
Opslagpercentage
Arbeidskosten
B.T.W.
De prijs voor bloemen op de veiling.
Alles wat je gebruikt om het boeket te maken. 
De tijd die het maken van het boeket kost. 
Dit is de winst.
De belasting die betaald moet worden. 

Slide 31 - Sleepvraag

De BTW is 9%. Hoeveel euro komt er bovenop een verkoopsprijs excl. BTW van E27,30

Slide 32 - Open vraag

Het opslagpercentage is 220% over de inkoopsprijs. De inkoopsprijs van een boeket is E7,80. Wat is de prijs inclusief het opslagpercentage?

Slide 33 - Open vraag