werkwoorden

Herhalingsles werkwoorden


1 / 33
volgende
Slide 1: Slide
newEditorNederlandsLager onderwijs

In deze les zitten 33 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

Herhalingsles werkwoorden






DE INFINITIEF VAN EEN WERKWOORD


Wat is de infinitief van ... ? leest

Wat is de infinitief van ... ? voetbal

Wat is de infinitief van ... ? schrijf

Wat is de infinitief van het werkwoord 'knipt' ?

A

knipen

B

knippen

C

knip

D

knipt





DE STAM VAN EEN WERKWOORD


Wat is de stam van ... ? studeren

Wat is de stam van ... ? geven

Wat is de stam van ... ? liggen

Sleep de stam naar de juiste infinitief.

helpen

mediteren

praten

praat

mediteer

help





DE TIJD VAN EEN WERKWOORD


In welke tijd staat dit werkwoord? studeren

In welke tijd staat dit werkwoord? oefende

In welke tijd staat dit werkwoord? startte

In welke tijd staat dit werkwoord? vliegen

Sleep de werkwoorden naar de juiste tijd.

tegenwoordige tijd

verleden tijd

zitten

knipte

belde

kijken

praatte




GEEN KLANKVERANDERING


Zet de onderstaande werkwoorden in de verleden tijd. wij bedanken

Zet de onderstaande werkwoorden in de verleden tijd: hij verwacht

Zet de onderstaande werkwoorden in de verleden tijd: het regent

Zet de onderstaande werkwoorden in de verleden tijd: zij landen

Wat is de verleden tijd van 'wij huppelen'.

A

huppelde

B

huppelden

C

huppelten

D

huppel




KLANKVERANDERING


Zet de onderstaande werkwoorden in de verleden tijd: de meisjes drinken

Zet de onderstaande werkwoorden in de verleden tijd: de jongens snijden

Zet de onderstaande werkwoorden in de verleden tijd: de blaadjes vallen




ALLES DOOR ELKAAR





Vul de zinnen in (persoonsvorm in de verleden tijd) Wij (slapen) tijdens de les. Mama (fietsen) in het midden van de rijbaan. Hij (verplichten) ons om binnen te blijven.

Geef de juiste persoonsvorm in de VT: Hij ....................... (huilen) omdat de meester ziek is.

Geef de juiste persoonsvorm in de VT: Jij ............................... (komen) te laat de klas binnen.

sleep de werkwoorden naar de juiste tijd.



tegenwoordige tijd

verleden tijd

praatten

rusten