Ik
woon in een huis in de stad.
Jij verhuist van het dorp naar de stad.
Hij woont in een flat met één woonkamer en twee slaapkamers.
Wij blijven in de woonkamer en we kijken naar de televisie.
Zij wil slapen, zij doet de gordijnen dicht.
Jullie wonen in het appartement naast de garage.
De keuken is naast de woonkamer.
De badkamer is naast de slaapkamer.
Op de zolder is ook een slaapkamer.
De schoorsteen is op het dak.
De televisie is in de woonkamer.