KT1 Algemene geneesmiddelenkennis 3

Anatomie, Fysiologie en Pathologie 


Week 45 Les 3
Leerjaar 1
Periode 2
1 / 33
volgende
Slide 1: Tekstslide
Anatomie Fysiologie PathologieMBOStudiejaar 1

In deze les zitten 33 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 120 min

Onderdelen in deze les

Anatomie, Fysiologie en Pathologie 


Week 45 Les 3
Leerjaar 1
Periode 2

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Lesindeling
-Terugblik vorige les
-Theorie
-Memory
-Oefentoets bij tijd over anders huiswerk (Cumlaude en KTB)

Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Lesdoelen
Aan het eind van de les kun/ken jij:
  • De verschillende therapievormen (geneesmiddelen) en kan jij hiervan voorbeelden geven.
  • De begrippen die te maken hebben met de algemene geneesmiddelenkennis.
  • Het verschil benoemen tussen toedieningswegen- en vormen en kan jij hiervan voorbeelden geven.

Slide 3 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Vorige les

Zoek iets 'roods' en iets 'groens' op wat je voor jouw beeldscherm/omhoog kunt houden

Zijn de volgende stellingen goed (groen) of fout (rood)?

Slide 4 - Tekstslide

Stellingen vind je in de lesopzet
Vorige les
  • Wat betekent het Latijnse woord guttae?
  • Wat bedoelen we met kruisovergevoeligheid?
  • Waar moeten bijwerkingen gemeld worden?
  • Wat is het verschil tussen een relatieve en een absolute contra-indicatie?
  • Waarom zijn kinderen gevoeliger dan volwassenen bij cutane medicijnen?

Slide 5 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Farmacogenetica
Hoe het lichaam op een geneesmiddel reageert kan sterk per persoon verschillen.

Kan afhankelijk zijn van:
-Erfelijkheid
-De hoeveelheid en activiteit van bepaalde enzymen in het lichaam.

Slide 6 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Medicatieveiligheid
Medicatieveiligheid: Alle activiteiten gericht op juiste voorschrijving, aflevering en gebruik van medicijnen

  • Eerste uitgifte: Uitleg over middel en gebruik hiervan
  • Toediening: Controleer de juiste patientgegevens/medicijn/dosering/tijd/hoeveelheid/
    toediening

Slide 7 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Medicatiebewaking
Alle HIS hebben medicatiebewaking.
De computer let daarbij o.a. op:
  • Contra-indicatie
  • Intolerantie
  • Interactie
  • Dubbelmedicatie
Let op: elke melding van medicatiebewaking moet met de HA worden overlegd. 

Slide 8 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Dosering
Dosering: Hoeveelheid medicijn die iemand moet innemen per 24 uur.
Krijgt iedereen dezelfde dosering?
  • Kinderen vs. volwassenen
  • Volwassenen vs. ouderen

Wat zou verder een verschil maken?

Slide 9 - Tekstslide

Zie ook blz. 24 boek
Dosering
Dosering: Hoeveelheid medicijn die iemand moet innemen per 24 uur.

Lees: blz. 22 vanaf de zin 'Om een....' 
tot H.2.5.4.
Begrijp je wat daar staat?

Slide 10 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Voorschrijfhoeveelheden
Zie blz. 29 (H.2.9.1.)

Slide 11 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Bijwerkingen
Een geneesmiddel heeft behalve zijn gewenste werking ook altijd minder gewenste of niet gewenste werkingen. 

Vragen of opmerkingen over mogelijke bijwerkingen dienen te worden doorgegeven aan LAREB.

Slide 12 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Contra indicatie
Wat betekent dit begrip ook al weer?

Verschil tussen relatieve en absolute contra indicatie.

Slide 13 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Polyfarmacie
Het tegelijk gebruiken van 5 of meer medicijnen tegelijk. 

Hierdoor is de kans op interactie(s) erg groot, evenals vermindering van therapietrouw en therapiebewustzijn.

Slide 14 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Compliance
=Therapietrouw

Ga naar blz. 24. Samen met de leraar neem je dit onderwerp (H.2.7 tot en met 2.7.5 door)

Slide 15 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Memory
  1. Zoek om de beurt 2 kaartjes waarvan jij vindt dat deze bij elkaar horen
  2. Waarom vind jij dit?
  3. Klopt dit?
  4. Wie heeft aan het eind de meeste kaartjes?

Slide 16 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

'Duotet'
Je krijgt een kaart van de docent. Zoek in de klas diegene op die de bijbehorende kaart heeft. Leg deze bij elkaar. 
Haal daarna bij de docent een nieuwe kaart op.

Slide 17 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Nog wat oefenvragen

Slide 18 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Opname van een geneesmiddel noemen we
A
Distributie
B
Transport
C
Eliminatie
D
Absorptie

Slide 19 - Quizvraag

D
De eerste passage van medicatie door de lever noemen we
A
First pass effect
B
Halfwaarde tijd
C
Resorptiesnelheid
D
Eliminatie

Slide 20 - Quizvraag

A
Voeding en geneesmiddelen kunnen elkaar onderling beïnvloeden. Dat noemen we?
A
Resistentie
B
Interactie
C
Cumulatie
D
Gewenning

Slide 21 - Quizvraag

B
Vit K is een voorbeeld van
A
een profylaxe
B
substitutie
C
symptoombestrijder

Slide 22 - Quizvraag

B
Substitutie=
Regelmatige toediening van een medicijn dat een natuurlijke lichaamsstof vervangt 
-dikwijls een hormoon, zoals insuline, bijnierschors-, schildklier- en geslachtshormonen-
Paracetamol is een voorbeeld van
A
causale werking
B
symptoombestrijder
C
profylactische werking

Slide 23 - Quizvraag

B.
Causale therapie: bestrijden van de oorzaak van een ziekte.

Profylactische werking:
om bepaalde aandoeningen te voorkomen, bijvoorbeeld: vaccinatie tegen griep, hepatitis A en B
Miconazolnitraatzalf bestrijding van schimmelinfectie. Is een voobeeld van.....
A
curatieve werking
B
symptoombestrijding
C
preventieve werking

Slide 24 - Quizvraag

A.

Curatieve werking:
behandeling bedoeld om te genezen.
contrastvloeistof. Is een voorbeeld van......
A
Placebo-effect
B
Stellen van een diagnose
C
symptoombestrijding

Slide 25 - Quizvraag

B
contra indicatie betekent dat je het medicijn
A
wel mag hebben
B
niet mag hebben

Slide 26 - Quizvraag

B

Contra indicatie voorbeeld:
een reden (of omstandigheid) om een bepaalde behandeling of geneesmiddel niet toe te passen. 

Bijvoorbeeld: Iemand heeft een longontsteking waarvoor een bepaald antibioticum geïndiceerd is. De patiënt is echter allergisch voor dat middel. 
Wat betekent cumulatie?
A
opeenhoping van een bepaald medicijn
B
allergische reactie
C
dat je verslaaft bent aan een medicijn

Slide 27 - Quizvraag

A.

Cumulatie: 
Wanneer een middel wordt ingenomen voordat de vorige dosis voldoende is afgebroken, kan er ophoping (cumulatie) plaatsvinden. Denk aan slaapmedicatie, anti-depressiva.
Hoe noem je het als twee medicijnen elkaar beïnvloeden?
A
Gewenning
B
Interactie
C
Allergie
D
Verslaving

Slide 28 - Quizvraag

B.
Een placebo is een middel wat er wel uitziet als een geneesmiddel, maar geen werkzame stof bevat.
A
Juist
B
Onjuist

Slide 29 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Voorbeeld van een symptoombestrijder is ......
A
Antibiotica
B
Hormonen
C
Pijnstiller
D
Maagmiddel

Slide 30 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Parenteraal
Enteraal
Via het maagdarmkanaal
Buiten het maagdarmkanaal om
Injectie
Tablet

Slide 31 - Sleepvraag

Enteraal: 
passeert maag/darm stelsel

Parenteraal:
Buiten maag/darm stelsel om
Werken aan opdrachten
Ga verder met de opdrachten uit het werkboek Algemene geneesmiddelenkennis. 
Aan het eind van deze les moet je de opdrachten inleveren via het inleverbakje in Cumlaude. 

Of maak de oefentoets op Cumlaude
en of KTB.
timer
1:00:00

Slide 32 - Tekstslide

Over een uur moeten studenten terug in de les zijn. We gaan dan opdracht 3 samen nabespreken. 
Huiswerk

Leren Geneesmiddelenkennis H.1 en 2. (Maak ook gebruik van de opdrachten bij het leren)

Boek: Medische terminologie AF mee!

Slide 33 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies