B1L Grammatica zinsdelen: meewerkend voorwerp

Meewerkend voorwerp 
1 / 26
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 1

In deze les zitten 26 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 120 min

Onderdelen in deze les

Meewerkend voorwerp 

Slide 1 - Tekstslide

Wat weet je aan het einde van de les?
  • Je weet wat de functie van een meewerkend voorwerp is in een zin.
  • Je kan een meewerkend voorwerp in de zin benoemen. 

Slide 2 - Tekstslide

Welke zinsdelen ken je?
Schrijf ook op hoe je ze in een zin kunt vinden.

Slide 3 - Open vraag

Wat weten we tot nu toe? 
  • Je kunt een zin in delen hakken: zinsdelen 
  • Je kunt de persoonsvorm (pv) vinden
  • Je weet welk zinsdeel het onderwerp (ow) is, door te kijken naar wie/wat een handeling uitvoert.
  • Je kent het werkwoordelijk gezegde 
  • Je weet welk zinsdeel het lijdend voorwerp (lv) is, door te bedenken wie/wat last heeft van de handeling

Slide 4 - Tekstslide

Wat weet je over een
meewerkend voorwerp?

Slide 5 - Woordweb

Het meewerkend voorwerp 
Aan wie of voor wie is iets?  
Wie/wat werkt mee aan de handeling die het ow uitvoert? 
  1. Noteer het onderwerp, werkwoordelijk gezegde en lijdend voorwerp. 
  2. Stel de vraag: Aan/Voor wie + werkwoordelijk gezegde + onderwerp + lijdend voorwerp? 
  3. Controleer of je aan (voor) kunt weglaten of toevoegen. 

Slide 6 - Tekstslide

Even checken...
Heb je het begrepen? 

Slide 7 - Tekstslide

Als er geen meewerkend voorwerp is kan er wel een lijdend voorwerp in de zin staan.
A
dat klopt
B
nee, dat kan niet

Slide 8 - Quizvraag

Als er geen lijdend voorwerp is kan er wel een meewerkend voorwerp in de zin staan.
A
juist
B
onjuist

Slide 9 - Quizvraag

Dan gaan we nu oefenen! 

Slide 10 - Tekstslide

Wat is de pv?
De verdwaalde toerist vroeg de weg aan de politie.
A
verdwaalde
B
toerist
C
vroeg
D
de weg

Slide 11 - Quizvraag

Wat is het lijdend voorwerp?
De verdwaalde toerist vroeg de weg aan de politie.
A
de verdwaalde toerist
B
de politie
C
vroeg
D
de weg

Slide 12 - Quizvraag

Wat is het wg?
Alle aanwezigen zongen voor de jarige een vrolijk welkomstlied.
A
zongen een vrolijk welkomstlied
B
zongen
C
zongen voor
D
alle aanwezigen

Slide 13 - Quizvraag

Wat is het mv?
Alle aanwezigen zongen voor de jarige een vrolijk welkomstlied.
A
voor de jarige
B
de jarige
C
alle aanwezigen
D
een vrolijk welkomstlied

Slide 14 - Quizvraag

Wat de pv?
De stad Amersfoort doneert de speeltuinvereniging jaarlijks subsidie.
A
doneert subsidie
B
doneert
C
de stad Amersfoort
D
jaarlijk

Slide 15 - Quizvraag

Wat is het lv?
De stad doneert de speeltuinvereniging jaarlijks subsidie.
A
jaarlijks subsidie
B
subsidie
C
doneert
D
de stad

Slide 16 - Quizvraag

Wat is het ow?
Zal de oud-kampioen vanavond de winnaar een medaille opspelden?
A
de winnaar
B
de oud-kampioen
C
zal
D
een medaille

Slide 17 - Quizvraag

Wat is het mv?
Elke woensdag geeft Nienke de plantjes op haar kamer water.
A
Nienke
B
woensdag
C
op haar kamer
D
de plantjes

Slide 18 - Quizvraag

Wat is het wg?
Wie zal jullie dit voorstel gaan toelichten?
A
zal gaan
B
zal gaan toelichten
C
zal
D
toelichten

Slide 19 - Quizvraag

Nog even om te controleren... 

Slide 20 - Tekstslide

Hoe vind je de persoonsvorm?
Kies het beste antwoord.
A
vraagzin maken
B
tijd van de pv veranderen
C
aantal van het ow en tijd van de pv veranderen
D
aantal van het ow veranderen

Slide 21 - Quizvraag

Benoem de kenmerken van een werkwoordelijk gezegde.

Slide 22 - Woordweb

In elke zin staat een lijdend voorwerp
A
juist
B
onjuist

Slide 23 - Quizvraag

Het meewerkend voorwerp geeft aan wie er meewerkt aan de handeling van het onderwerp
A
juist
B
onjuist

Slide 24 - Quizvraag

Alles voor de persoonsvorm is één zinsdeel.
A
juist
B
onjuist

Slide 25 - Quizvraag

Is het lesdoel voor jou bereikt:
'Je kunt een meewerkend voorwerp (mv) in de zin vinden en benoemen' ?
0100

Slide 26 - Poll