Kap. 2 Grammatik A, B, C, D, E versie 2

Herzlich Wilkommen!

Du brauchst:
- Laptop
- geluidsoortjes


Telefoon zit in mijn tas
Mijn tas staat op het rek
Ik zit op mijn vaste plek van de plattegrond

1 / 21
volgende
Slide 1: Tekstslide
DuitsMiddelbare schoolmavoLeerjaar 1-3

In deze les zitten 21 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

Herzlich Wilkommen!

Du brauchst:
- Laptop
- geluidsoortjes


Telefoon zit in mijn tas
Mijn tas staat op het rek
Ik zit op mijn vaste plek van de plattegrond

Slide 1 - Tekstslide

Wat leer ik in deze les?
1. Ik weet wat mannelijke, vrouwelijke en onzijdige woorden zijn 
2. Ik weet wanneer ik der, die of das moet gebruiken
3. Ik kan een zelfstandig naamwoord vervangen door er, sie, es
4. Ik ken de werkwoorden haben en sein en kan deze vervoegen in een zin. 

Slide 2 - Tekstslide

Lidwoorden
de man
de vrouw
das Buch
de kinderen
der Mann
die Frau
das Buch
die Kinder (meervoud)
Je leerde dat in het Duits alle zelfstandignaamwoorden met een hoofdletter worden geschreven. (Mann, Frau, Kind)

Slide 3 - Tekstslide

mannelijk
vrouwelijk
onzijdig 
meervoud
die
der
die
das

Slide 4 - Sleepvraag

der :
- mannelijk personen:
der Mann, der Onkel, der Opa;
- mannelijke dieren;
- mannelijke beroepen;
- de dagen;
- de maanden;
- de dagdelen;
- de jaargetijden.



Woorden die eindigen op een -e
Die Suppe, die Straße
die:
- vrouwelijke personen:
die Frau, die Oma, die Schwester;
- vrouwelijke dieren;
- vrouwelijke beroepen:
die Lehrerin, eindigt op -in;
- woorden op -heit;
-woorden op -keit;
- woorden op - ung;
- woorden op -e .



Slide 5 - Tekstslide

das:
'het'' kan je vervangen door das:
het meisje, het huis;
- verkleinwoorden op -chen en -lein:
das Mädchen, das Buchlein.
die = meervoud :
die Kinder, die Menschen

Slide 6 - Tekstslide

Zet het zelfstandig naamwoord bij het juiste b lidwoord
Eltern
Bruder
Eis
die
der
das
Hotel
Pferd
Tier
April
Vater
Mutter
Winter
Frau
Kind
Junge
Schule
Mädchen

Haus
Lehrer

Lehrerin

Slide 7 - Sleepvraag

Wat betekent 'das' in het Nederlands?

Slide 8 - Open vraag

Welk woord is mannelijk (der)?
A
Katze
B
Schwester
C
Lehrerin
D
Sommer

Slide 9 - Quizvraag

Wat is geen vrouwelijk woord hier (die-woord)?
A
Schule
B
Frau
C
Sommer
D
Freundschaft

Slide 10 - Quizvraag

Meine Freundin heißt Mirthe. ... ist sehr nett (aardig).
A
Er
B
Sie
C
Es

Slide 11 - Quizvraag

Die Kinder sind weg. ... spielen auf dem Spielplatz.
A
Er
B
Sie
C
Es

Slide 12 - Quizvraag

                               
ich                         
du                           
er/sie/es              
wir
ihr
sie/Sie
sein
haben
ich
bin
habe
du
bist
hast
er/sie/es
ist
hat
wir
sind
haben
ihr
seid
habt
sie/Sie
sind
haben

Slide 13 - Tekstslide

Het werkwoord sein
ich
du
er/sie/es
wir
ihr
sie/Sie
bin
bist
ist
sind
seid
sind

Slide 14 - Sleepvraag

Das Mädchen ... sehr schön. Haben of sein? Vervoeg ook juist!

Slide 15 - Open vraag

Die Kinder ... eine Katze. Haben of sein? Vervoeg ook juist!

Slide 16 - Open vraag

Heb je de stof begrepen?
A
helemaal
B
een beetje
C
niet

Slide 17 - Quizvraag

Wat vind je nog lastig?

Slide 18 - Open vraag

Tschüss! 

Slide 19 - Tekstslide

Dienstag 19-01
Ga op je telefoon of tablet naar: www.lessonup.com
login met deze
pin code 
Gebruik je echte naam!

Slide 20 - Tekstslide

Donnerstag 21-01
timer
1:30
Ga op je telefoon of tablet naar: www.lessonup.com
login met deze
pin code 
Gebruik je echte naam!

Slide 21 - Tekstslide