Les 5_PA1_C5_toekomende tijd_Opdr 23,24,27

1 / 21
volgende
Slide 1: Tekstslide
SpaansMiddelbare schoolmavoLeerjaar 2

In deze les zitten 21 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Slide 1 - Tekstslide

Hoofdstuk 5
  • HW controleren
  • Herhalen: wekwoord ir
  • Bron J: de toekomende tijd
  • Bron H: ¿Qué tal el instituto?

Doel van de les:
  • Herhalen wat je al weet over het werkwoord ir.
  • Ik kan de toekomende tijd in het Spaans herkennen en gebruiken.
  • Ik ken de namen van vervoermiddelen en de dagen van de week.


Slide 2 - Tekstslide

Slide 3 - Video

IR = gaan
'Ir' is een onregelmatig werkwoord. 


'Ir' wordt ook gebruikt bij de toekomende tijd.

Slide 4 - Tekstslide

Yo (ir) _______ al instituto.
A
vas
B
va
C
voy
D
ir

Slide 5 - Quizvraag

Pedro (ir) _______ a la playa.
A
vay
B
voy
C
vo
D
va

Slide 6 - Quizvraag

Tú (ir) _______ al supermercado.
A
voy
B
va
C
vas
D
ir

Slide 7 - Quizvraag

Vosotros (ir) _______ de compras
A
veis
B
vamos
C
vemos
D
vais

Slide 8 - Quizvraag

Sleep de juiste vorm van 'IR' naar de juiste zin.
Stacy y Fien _____ (ir) a escuchar música.
Rick y yo______(ir) al cine
¿Tú________ (ir) a casa en coche?
Yo _______ (ir) a la peluquería
¿Lisa y tú _____(ir) de vacaciones a Francia?
van
vamos
vas
voy
vais

Slide 9 - Sleepvraag


De toekomende tijd
El futuro inmediato

Slide 10 - Tekstslide


De toekomende tijd
El futuro inmediato
  • Je gebruikt het om te zeggen dat iets moet gebeuren of dat je van plan bent om iets te doen.

  • Vorm: ir + a + hele werkwoord

Slide 11 - Tekstslide

¿ Ir + a + _______ = futuro inmediato?

A
vervoeg werkwoord
B
heel werkwoord
C
werkwoord gustar
D
voltooid deelwoord

Slide 12 - Quizvraag

Welke van onderstaande zinnen staat in de "toekomende tijd"?
A
Voy a estudiar
B
Estoy estudiando
C
He estudiado

Slide 13 - Quizvraag

Welke van onderstaande zinnen staat in de "toekomende tijd"?
A
¿Adónde vais?
B
¿Vas a comprar algo?
C
Voy a casa de Pedro
D
Vamos a la tienda

Slide 14 - Quizvraag

Ik ken toekomende tijd in het Spaans.
El futuro inmediato
A
B
C
D

Slide 15 - Quizvraag

Bron F: 19c (WB p. 17/18)
Bron A: 3, 4 (WB p. 41/42)
Opdracht 19c (WB p. 17/18)
1 Son las ocho menos cuarto.
2 Son las ocho y cuarto.
3 Son las nueve y media.
4 Es medianoche.
5 Son las tres y cuarto.
6 Son las seis y media.
Opdracht 3a (WB p. 41)
1 ontmoeten elkaar op
2 klasgenootjes.
3 winkelen

Opdracht 3b (WB p. 41)
1 a
2 b
3 b
4 a
5 a
6 a
Opdracht 3c (WB p. 41)
1 verdadero
2 verdadero
3 falso
4 falso
5 verdadero
6 verdadero
Opdracht 3d (WB p. 41)
1 el ordenador
2 el videojuego
3 la camiseta
4 los pantalones
5 la falda
Opdracht 4a (WB p. 42)
1 regalo
2 videojuegos
3 ropa
4 estilo
5 andando
6 dinero
Opdracht 4b (WB p. 42)
1 cadeau
2 computerspel
3 kleding
4 stijl
5 lopend
6 geld
Opdracht 4c (WB p. 42)
1 ¿Vas a la fiesta de Manuel?
2 ¿Compramos juntas un regalo?
3 Yo también quiero comprar ropa.
4 ¿Vamos de tiendas, entonces?

Slide 16 - Tekstslide

Bron C: 10 (WB p. 11)
Bron D: 11 (WB p. 48)
Opdracht 10 (WB p. 11)
1 castellano
2 historia
3 música
4 biología
5 inglés
6 educación física
7 geografía
8 matemáticas
Opdracht 11 (WB p. 48)
1 haar
2 zijn
3 hun
4 zijn
5 hun
6 hun
7 haar
8 uw

Slide 17 - Tekstslide

maandag
dinsdag
woensdag
donderdag
vrijdag
zaterdag
zondag





lunes
martes
miércoles
jueves
viernes
sábado
domingo


Dagen van de week

Slide 18 - Tekstslide

Vamos a trabajar
Werkboek online
Maken: H5 - Bron J - Opdr 27
 H4 - Bron H - Opdr 23, 24ab
timer
15:00

Slide 19 - Tekstslide

Bij het vervoegen van de toekomende tijd, gebruiken we de stam van het werkwoord.
A
Waar
B
Niet waar

Slide 20 - Quizvraag

Hoe vorm je de toekomende tijd?
A
ir + de + heel werkwoord
B
ir + a + heel werkwoord
C
ser + de + heel werkwoord
D
ser + a + heel werkwoord

Slide 21 - Quizvraag