CABARET V3

Hoe gaan we werken deze periode?
Je gaat aan de slag met C4 over humor 


In deze les maak je kennis met verschillende cabaretstijlen... 







1 / 16
volgende
Slide 1: Tekstslide
ckvMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4

In deze les zitten 16 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 4 videos.

Onderdelen in deze les

Hoe gaan we werken deze periode?
Je gaat aan de slag met C4 over humor 


In deze les maak je kennis met verschillende cabaretstijlen... 







Slide 1 - Tekstslide

Cabaret Les 1:Soorten en Stijlfiguren
Cabaret is een populaire vorm van amusement, die meestal bestaat uit de combinatie van verhalen vertellen, grappen maken, theater, dans, zang en/of poëzie.
Bij cabaret gaat het altijd om grappen/verhalen met veel humor. Maar.. er zit meestal wel een serieuze ondertoon, rode draad of maatschappijkritische boodschap in.

Slide 2 - Tekstslide

Wat zijn jouw ervaringen met Cabaret? (voorstellingen die je gezien hebt, cabaretiers die je kent)

Slide 3 - Open vraag

Verschillende soorten cabaret:

Literair-satirisch: sketches, liedjes, poëtische teksten bespotten (licht) het dagelijkse leven
Maatschappijkritisch: aansluitend bij de politieke actualiteit, taboedoorbrekend, tijdgebonden 
 verhalend: filosofische overpeinzingen, meer aansluiting bij universele vraagstukken dan bij de actualiteit, met boodschap 
Stand-up Comedy: veel improvisatie en interactie met publiek
nonsens cabaret: cabaret dat eigenlijk nergens over gaat 
zapp cabaret: allerlei stijlen door elkaar 


Slide 4 - Tekstslide

noteer per fragment welke cabaretstijl het is. Let op: vaak zijn er meerdere vormen in een fragment.

Slide 5 - Tekstslide

Slide 6 - Video

Welke cabaretstijl was dit?
Literair-satirisch, maatschappijkritisch, verhalend, Nonsenscabaret, zap cabaret, standup comedy

Slide 7 - Open vraag

Slide 8 - Video

Welke cabaretstijl was dit?
(noteer dit ook in je document)

Slide 9 - Open vraag

Stijlfiguren (middelen) om een grap te maken
anticlimax 
hyperbool (overdrijving) 
understatement (afgezwakte uitdrukking) 
ironie (het tegenovergestelde zeggen van wat je bedoelt) 
sarcasme (bijtende spot: kwetsend) 
cynisme (verbitterde spot: niet meer geloven in goede bedoelingen) 


Slide 10 - Tekstslide

Slide 11 - Video

Welke cabaretstijl was dit?

Slide 12 - Open vraag

In de les maken
Opdracht 6, 7, 8

Slide 13 - Tekstslide

Opdracht (voor de volgende les af hebben)
Zoek een cabaretfragment van een cabaretier(e) die nog niet is behandeld in de les. Lees eerst de vragen, zodat je weet waar je op moet letten.
  • Wat is de naam van de cabaretier?
  • waar heb je het fragment gevonden ? 
  • Uit welk jaar komt dit fragment? 
  • Op welke momenten moest je lachen?
  • Vind jij dat alle grapjes kunnen? Leg uit waarom wel of waarom niet. 
  • Welke stijlfiguren gebruikt de cabaretier(e)? Geef een voorbeeld.




Slide 14 - Tekstslide

Slide 15 - Video

Welke cabaretstijl was dit?
(noteer dit ook in je document)

Slide 16 - Open vraag