Les 11 Familieleden in het Nederlands

Familieleden in het Nederlands

1 / 23
volgende
Slide 1: Slide
newEditorNT2Secondary EducationAge 11

In deze les zitten 23 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min
Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

Familieleden in het Nederlands

Deze slide heeft geen instructies

Leerdoel

Ik kan familieleden in het Nederlands benoemen en eenvoudige woorden over familie gebruiken.

Deze slide heeft geen instructies

But first?????

Quiz about Oliver Tree, speciaal voor Boris!

Deze slide heeft geen instructies

Huiswerk

Welke 10 woorden uit het boek (Hotel Hallo) op bladzijde 28, heb je omcirkeld en ken je nog niet?

Deze slide heeft geen instructies

Welke woorden weet je nog van de vorige les over school?

Gebruik deze woordwolk als voorkennisactivatie. Verwachte woorden: vader, moeder, broer, zus, opa, oma, oom, tante.

Wat is familie?

Familie zijn de mensen die bij je gezin en familiekring horen.


Je kunt praten over:

  • ouders (parents)

  • kinderen (children)

  • grootouders (grand parents)

  • andere familieleden (other family members)

Gebruik deze slide om het thema te openen. Houd het eenvoudig: familie kan klein of groot zijn, maar in deze les gaat het om basiswoorden.

Ouders

  • vader = je papa

  • moeder = je mama

  • Samen noem je ze vaak je ouders.

  • Voorbeeld: Mijn vader en moeder zijn thuis.

Je mag kort noemen dat 'papa' en 'mama' informeler zijn, maar houd op de slide de kernwoorden vader en moeder centraal.

Kinderen in het gezin

  • broer = een mannelijke sibling

  • zus = een vrouwelijke sibling

  • broertje = jonge broer

  • zusje = jonge zus

Leg uit dat -tje of -je vaak iets kleins of jongs aangeeft. Vermijd ingewikkelde grammaticale uitleg.

Grootouders

  • opa = vader van je vader of moeder

  • oma = moeder van je vader of moeder

  • Opa en oma zijn je grootouders.

  • Voorbeeld: Ik ga naar opa en oma.

Deze slide heeft geen instructies

Meer familieleden

  • oom = broer van je vader of moeder

  • tante = zus van je vader of moeder

  • Deze woorden gebruik je vaak bij familiebezoek.

Houd de definities eenvoudig. In het dagelijks taalgebruik kunnen deze woorden soms ook breder gebruikt worden, maar dat hoeft hier niet uitgewerkt te worden.

Kinderen van oom en tante

  • neef = zoon van je oom of tante

  • nicht = dochter van je oom of tante

  • neefje = jonge neef

  • nichtje = jonge nicht

Wijs erop dat neef en nicht soms moeilijk te onthouden zijn. Laat de klas het verschil tussen zoon en dochter goed horen.

Hoe noem je vader en moeder samen?

A

grootouders

B

ouders

C

familie

D

visite

Controleert de kernwoorden uit de eerste woordenset. 'Familie' is bewust als afleider opgenomen omdat leerlingen dat snel te algemeen kiezen.

Een baby in de familie

  • Een baby is een heel jong kind.

  • geboren betekent: op de wereld gekomen.

  • Voorbeeld: Er is een baby geboren.

Koppel dit aan familiesituaties: een nieuwe baby betekent vaak dat iemand broer, zus, oom, tante, opa of oma wordt.

De familiefoto

Een familiefoto laat zien wie bij de familie hoort.


Op een foto kun je bijvoorbeeld zien:

  • vader en moeder

  • broer of zus

  • opa en oma

Gebruik deze slide om woorden samen te brengen: laat zien dat één beeld veel familiewoorden activeert.

Woorden bij elkaar

  • familie: alle familieleden samen

  • ouders: vader en moeder

  • grootouders: opa en oma

  • visite: bezoek thuis

  • feest: moment om samen te vieren

Deze slide helpt om losse woorden te groeperen in betekenisvolle sets. Goed moment om verbanden te benoemen.

Voorbeelden met familie

  • Mijn broer en zus zijn thuis.

  • Mijn oom en tante komen op visite.

  • Mijn oma is jarig.

  • Er is een baby geboren in de familie.

Lees de zinnen langzaam voor zodat leerlingen de woorden in context horen. De focus blijft op woordenschat, niet op grammaticale analyse.

Wie is een nicht?

A

dochter van oom of tante

B

zus van je moeder

C

zoon van oom of tante

D

broer van je vader

Test het onderscheid neef/nicht en oom/tante, omdat die woorden vaak door elkaar gehaald worden.

Vul de woorden over familie in

Mijn oom en tante komen op visite. Hun dochter is mijn nicht. In de familie is ook een baby geboren.

oom
visite
nicht
baby
feest
neef
oma
broer

Deze oefening verbindt familieleden met woorden uit contextzinnen: visite, nicht, baby, geboren.

Welk woord vind jij het moeilijkst om te onthouden?

1

neef

2

nicht

3

oom

4

tante

Deze slide heeft geen instructies

Begrippenlijst

familie - mensen die bij je gezin en familiekring horen

vader - je papa

moeder - je mama

broer - mannelijke sibling

zus - vrouwelijke sibling

broertje - jonge broer

zusje - jonge zus

Deze slide heeft geen instructies

Begrippenlijst

oom - broer van je vader of moeder

tante - zus van je vader of moeder

neef - zoon van je oom of tante

nicht - dochter van je oom of tante

neefje - jonge neef

nichtje - jonge nicht

opa - vader van je vader of moeder

Deze slide heeft geen instructies

Begrippenlijst

oma - moeder van je vader of moeder

visite - bezoek thuis

verjaardag - de dag dat iemand jarig is

feest - een gezellige bijeenkomst

familiefoto - foto van de familie

baby - heel jong kind

geboren - op de wereld gekomen

Deze slide heeft geen instructies

En nu....

De Quiz!!!!

Deze slide heeft geen instructies