Grammatica zinsdelen

Grammatica zinsdelen
Een herhaling voor thuis.

1 / 13
volgende
Slide 1: Tekstslide
Middelbare school

In deze les zitten 13 slides, met interactieve quiz, tekstslides en 1 video.

Onderdelen in deze les

Grammatica zinsdelen
Een herhaling voor thuis.

Slide 1 - Tekstslide

Beste klas 2B en 2C,
 

Helaas gaat het lesgeven de komende tijd even helemaal anders en zie ik jullie voorlopig niet, en dat terwijl ik erg benieuwd was naar jullie Oxford-ervaringen. Het is wel gek om zo terug te komen!

In deze les herhaal ik nog eens het eerste deel van Grammatica zinsdelen. Ik zal daar wat opdrachten bij plaatsen, zodat jullie voorlopig aan de slag kunnen. Misschien dat de lessen volgende week weer wat anders ingericht zullen worden, maar dat volgt tegen die tijd. Houd Somtoday goed in de gaten en probeer de opdrachten op tijd in te leveren om feedback te ontvangen. We moeten er samen het beste van maken! Doe voorzichtig allemaal en blijf gezond! 


Groet,
mevrouw Nijhof


p.s: het werkt het beste om deze les op een laptop/pc te doen. Dat geldt ook voor de opdrachten. Bij vragen kun je me altijd mailen of een berichtje via Som sturen.

Slide 2 - Tekstslide

Zinsdelen: redekundig ontleden
  • Hierbij verdeel je de zin in zinsdelen. Zinsdelen zijn groepjes woorden die bij elkaar horen en een functie hebben in de zin. Vervolgens geef je die zinsdelen een naam. 

  • Voorbeelden van zinsdelen zijn de persoonsvorm, het onderwerp, het lijdend voorwerp en de bijwoordelijke bepaling. 

Slide 3 - Tekstslide

Persoonsvorm
Ik ben rustig naar huis gelopen.

Je kunt de persoonsvorm vinden door:
  • De zin van tijd te veranderen: pv verandert
Ik was rustig naar huis gelopen.
  • De zin vragend te maken: pv komt vooraan te staan
Ben ik rustig naar huis gelopen?
  • De zin van getal te veranderen (enkelvoud/meervoud): pv verandert mee
Wij zijn rustig naar huis gelopen.


Slide 4 - Tekstslide

Onderwerp
Het onderwerp van een zin hangt samen met de persoonsvorm. 
Een zin geeft weer wat er met het onderwerp aan de hand is, wat het onderwerp overkomt of doet.

De man op de voorgrond is de voorzitter.

Wie of wat is de voorzitter? -> de man op de voorgrond.

Let op: niet alleen de man. Het hele stuk voor de persoonsvorm is één zinsdeel: hier het onderwerp.

Slide 5 - Tekstslide

Gezegde: WG/NG
In een zin kan sprake zijn van een werkwoordelijk gezegde of een naamwoordelijk gezegde.
Let op: ze staan nooit allebei in de zin!

Bij een werkwoordelijk gezegde vindt er een handeling plaats. Iemand DOET iets of ONDERGAAT iets. 

Bij een naamwoordelijk gezegde is er geen handeling, maar een toestand of eigenschap. Iemand IS iets of WORDT iets.

Bekijk het filmpje in de volgende slide voor extra uitleg.


Slide 6 - Tekstslide

Slide 7 - Video

Naamwoordelijk gezegde
  • Bestaat uit het koppelwerkwoord, alle werkwoorden en een naamwoordelijk deel
Eline is altijd vrolijk geweest.

  • Koppelwerkwoord koppelt het onderwerp aan naamwoord(en). Koppelwerkwoorden: zijn, worden, blijven, blijken, lijken, schijnen, heten, dunken, voorkomen.

  • Het gaat om een toestand: iemand IS (of wordt) iets

Slide 8 - Tekstslide

Werkwoordelijk gezegde
Bij een werkwoordelijk gezegde is er iemand die of iets wat iets doet of ondergaat. Er is dus een handeling.

Het werkwoordelijk gezegde bestaat uit alle werkwoorden uit de hoofdzin.
Soms is er ook een niet-werkwoordelijk deel, bijvoorbeeld bij:

Ik zit al uren te wachten. wg = zit te wachten
Ik ben aan het fietsen. wg = ben aan het fietsen

Zonder deze woorden klopt het zinsdeel niet meer (dus niet 'zit wachten' en 'ben fietsen')


Slide 9 - Tekstslide

Werkwoordelijk gezegde
Een werkwoordelijk gezegde kan ook een samengesteld werkwoord bevatten:

Ik geef mij daarvoor op. 
wg = geef op, want het komt van het werkwoord opgeven

Er kan ook sprake zijn van een werkwoordelijke uitdrukking. Die vormt in het geheel het WG.

Ze hebben die leraar alweer voor de gek gehouden.
wg = hebben voor de gek gehouden.

Slide 10 - Tekstslide

Welke zin heeft hier een naamwoordelijk gezegde?
A
Johan is net de trein in gestapt.
B
De jongen wil later koning worden.
C
Hij was de hele tijd aan het lezen.
D
Ik kan mijn boeken pas morgenavond kaften.

Slide 11 - Quizvraag

Lijdend voorwerp
Het lijdend voorwerp is er persoon die iets overkomt of een voorwerp dat iets ondergaat in de zin. Stel de vraag: wie/wat + onderwerp + gezegde 

We gaan vanmiddag een nieuwe fiets kopen. 
Wat gaan we kopen? -> een nieuwe fiets.

Let op: in een zin met een naamwoordelijk gezegde is er nooit een lijdend voorwerp. 
Een lijdend voorwerp begint ook nooit met een voorzetsel (van, tussen, naar, etc.) 

Slide 12 - Tekstslide

Meewerkend voorwerp
  • Een meewerkend voorwerp werkt mee aan de handeling.
  • Een meewerkend voorwerp kan met aan of voor beginnen. Als deze woorden er niet voor staan, kun je ze er voor zetten.
  • In zinnen met een meewerkend voorwerp staat vaak een lijdend voorwerp.

Ik geef hem een hand.
MV = hem (je zou hier aan voor kunnen zetten).

Voor mijn moeder heb ik een bos bloemen gekocht.
MV = voor mijn moeder

Slide 13 - Tekstslide