leren onderzoeken 1 en 2

Onderzoek doen
Thema 1  Leren onderzoeken
1 / 24
volgende
Slide 1: Tekstslide
BiologieMiddelbare schoolvwoLeerjaar 2

In deze les zitten 24 slides, met tekstslides.

time-iconLesduur is: 80 min

Onderdelen in deze les

Onderzoek doen
Thema 1  Leren onderzoeken

Slide 1 - Tekstslide

Stappen van een onderzoek
  1. Onderzoeksvraag      
  2. Hypothese
  3. Werkplan
  4. Uitvoering
  5. Resultaat
  6. Conclusie
  7. Discussie

Slide 2 - Tekstslide

Onderzoeksvraag
Hier schrijf je  zo precies mogelijk op wát je wilt onderzoeken. Dit doe je met een vraag, de onderzoeksvraag.
Welke is beter:
a. Hoeveel mieren eten liever van een suikerklontje dan van een stukje kaas?
b. Komen mieren eerder naar een suikerklontje of naar een stukje kaas?

Slide 3 - Tekstslide

Hypothese
Je hebt voordat je onderzoek begint al een beetje een idee wat het antwoord op je vraag ZOU kunnen zijn...
die schrijf je op in de HYPOTHESE

bv. Ik denk dat mieren eerder naar de suiker komen, want dat vinden ze lekkerder (?)......

Slide 4 - Tekstslide

Werkwijze
Nu moet je gaan bewijzen of wat jij denkt ook echt klopt!
Dat doe je met je onderzoek of experiment!
Je schrijft precies op wát je allemaal gaat doen om te bewijzen dat je hypothese klopt!
En daarbij maak je een 'boodschappenlijstje' voor de dingen die je nodig hebt.

Slide 5 - Tekstslide

Begin onderzoeksverslag
Onderzoeksvraag: Komen mieren eerder op suiker of kaas af?
Hypothese: Mieren komen eerder naar suiker.
Werkwijze: In een proefopstelling(doos) zet ik een schoteltje kaas én een schoteltje met suiker. Ik zet 100 mieren in de hoek van de opstelling en tel ná 10 minuten hoeveel mieren er op schotel A en hoeveel op B zitten; dit doe ik in totaal 3 keer.
Benodigdheden: 100 mieren, een doos, 2 (gelijke) schotels, suiker, kaas  een horloge, pen en papier

Slide 6 - Tekstslide

Slide 7 - Tekstslide

Slide 8 - Tekstslide

Slide 9 - Tekstslide

Het onderzoeksverslag
Je maakt het onderzoeksverslag af door de RESULTATEN, de CONCLUSIE en de DISCUSSIE bij je ONDERZOEKSVERSLAG te schrijven. 

Slide 10 - Tekstslide

practicum

Slide 11 - Tekstslide

doel van het practicum
aantonen van:

geen C02 in ingeademde lucht
wel C02 in uitgeademde lucht

Slide 12 - Tekstslide

Indicator

Hoe kun je aantonen dat een bepaalde stof aanwezig is? 


Soms doe je dat met een andere stof. 
Zo'n stof noem je dan een indicator.



Slide 13 - Tekstslide

Indicator

De indicator die je gebruikt om koolstofdioxide aan te tonen is: helder kalkwater.


Is er CO2 aanwezig, dan wordt helder kalkwater troebel.

Slide 14 - Tekstslide

proef 1
We gaan hier onderzoeken of het klopt dat kalkwater een indicator is voor CO2

Slide 15 - Tekstslide

spa rood
spa blauw

Slide 16 - Tekstslide

werkwijze
A.  nummer 4 reageerbuizen
B. vul de buizen (2 cm) met:
                                            1:  demiwater
                                            2: spa rood
                                            3 en 4: helder kalkwater
C. giet buis 1  bij buis 3
     giet buis 2  bij buis 4
D: noteer de resultaten in je werkboek
E:  trek een conclusie

Slide 17 - Tekstslide

proef 2
onderzoeksvraag



Welk verschil in CO2 is er tussen ingeademde lucht en uitgeademde lucht?

Slide 18 - Tekstslide

hypothese?
In uitgeademde lucht zit meer koolstofdioxide dan in ingeademde lucht

Slide 19 - Tekstslide

werkplan 
benodigdheden:
- afgedekte reageerbuis 
- twee rietjes met verschillende lengte
- kalkwater
- stopwatch

Slide 20 - Tekstslide

werkplan
A. Neem het reageerbuisje met de twee rietjes.
B. zet het korte rietje aan je mond. 
Haal een minuut adem door je mond in/neus uit.
C. zet dan het lange rietje aan je mond. 
Haal een minuut adem door je neus in/mond uit
D. Noteer wat je hebt waargenomen.
E. Trek een conclusie

Slide 21 - Tekstslide

onderzoeksverslag
noteer in je onderzoeksverslag:
-  resultaten
- conclusie
- discussie

Slide 22 - Tekstslide

klaar?


Ruim alles netjes op zoals op de achterkant van je vragenblad staat.

Check daarna of je de test jezelf van bs 1.1 -1.3 goed hebt afgerond. 

Slide 23 - Tekstslide

één persoon pakt:

- materialenbakje
- fles demiwater
- reageerbuisrekje
- opdrachtenboekje
Aan de slag.  Lees goed!

Slide 24 - Tekstslide