2htvtb: Cursus Spelling - Leenwoorden § 3 + Koppelteken en weglatingsstreepje § 4

week 14 les 2+3 - 2htvtb
Eerste uur:
  • 10 minuten stillezen
  • Nakijken/doornemen huiswerk § 2 
  • Uitleg Cursus 7 Spelling § 3
  • Zelf oefenen § 3







timer
10:00
1 / 34
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 2

In deze les zitten 34 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

week 14 les 2+3 - 2htvtb
Eerste uur:
  • 10 minuten stillezen
  • Nakijken/doornemen huiswerk § 2 
  • Uitleg Cursus 7 Spelling § 3
  • Zelf oefenen § 3







timer
10:00

Slide 1 - Tekstslide

week 14 les 2+3 - 2htvtb
Tweede uur:
  • 10 minuten stillezen
  • Zelf oefenen  cursus 7 § 3  opdracht 2, 3, 4 en 5
  • Werken aan Stiefkind
  • Tijd over? dan Nieuwsquiz







timer
10:00

Slide 2 - Tekstslide

Wat: Maak de opdracht van cursus 7 §3 spelling opdracht 2, 3, 4 en 5 op blz. 252-253
Hoe:  Individueel, maar je mag op fluisterniveau overleggen met degene die naast je zit. 
Hulp: Theorie uit je boek of internet.
Tijd: Tot het einde van deze les.

Klaar?
Maak een samenvatting van §2 en 3
timer
15:00

Slide 3 - Tekstslide

Wat: Schrijf verder aan je scenario voor Stiefkind
Hoe:  Individueel of in je groepje, maar op fluisterniveau. 
Hulp: Stiefkind en internet.
Tijd: 20 min.

Klaar?
Verder werken aan Stiefkind
timer
20:00

Slide 4 - Tekstslide

Lesdoelen
  • Je kunt punten en aanhalingstekens op de juiste manier gebruiken
  • Je kunt komma's en dubbele punten op de juiste manier gebruiken
  • Je leert leenwoorden op de juiste manier te spellen

Slide 5 - Tekstslide

Spelling § 2  leestekens
  • punt
  • komma
  • dubbele punt 
  • aanhalingstekens

Slide 6 - Tekstslide

Spelling § 2  leestekens
Opdrachten van §2

Hoe ging het? 
Waren er dingen die je lastig vond?

Slide 7 - Tekstslide

  • Een samenstelling van Engelse leenwoorden schrijf je in het Nederlands als één woord. 
    eyecatcher, multiplechoicevraag, skatebaan

  • Als het rechter deel van de samenstelling een Engels voorzetsel is, plaats je een koppelteken.
    stand-by, back-up,  shout-out

  • Sommige combinaties worden gezien als een woordgroep. Dan schrijf je die delen los:
    compact disc, first lady

Engelse leenwoorden

Slide 8 - Tekstslide

  • Veel franse woorden schrijf je in het Nederlands zonder accenttekens
    compact, hotel, ragout

  • De accenten op de -e blijven behouden als dat nodig is voor de uitspraak
  • Accent aigu: paté 
  • Accent grave: crème
  • Accent circonflexe: crêpe
Franse leenwoorden

Slide 9 - Tekstslide

Wat is goed?
A
airbag
B
air-bag

Slide 10 - Quizvraag

Wat is goed?
A
babysitter
B
baby-sitter

Slide 11 - Quizvraag

Wat is goed?
A
carriere
B
carrière

Slide 12 - Quizvraag

Wat is goed?
A
intensivecare
B
intensive care

Slide 13 - Quizvraag

Wat is goed?
A
makeup
B
make-up

Slide 14 - Quizvraag

Wat is goed?
A
dinee
B
diner

Slide 15 - Quizvraag

week 16 les 2+3 - 2ha
Eerste uur:
  • 10 minuten stillezen
  • Nakijken/doornemen huiswerk § 2 
  • Zelf oefenen § 3
  • Uitleg §3 koppelteken en weglatingsstreepje







timer
10:00

Slide 16 - Tekstslide

Wat: Maak de opdracht van cursus 7 §3 spelling opdracht 2, 3, 4 en 5 op blz. 252-253
Hoe:  Individueel, maar je mag op fluisterniveau overleggen met degene die naast je zit. 
Hulp: Theorie uit je boek of internet.
Tijd: Tot het einde van deze les.

Klaar?
Maak een samenvatting van §2 en 3
timer
15:00

Slide 17 - Tekstslide

Lesdoelen
- Je kunt het koppelteken en weglatingsstreepje correct te gebruiken

- Je kunt samenstellingen met en zonder tussenletters op de juiste manier spellen.

Slide 18 - Tekstslide

Koppelteken
De meeste samenstellingen schrijf je aan elkaar:
kassameisje, wijkagent, politiebureau, schoolkantine

Bij een klinkerbotsing (oo, aa, oe, ui) gebruik je een koppelteken:
auto-ongeluk, lente-ui, video-opname. Een klinkerbotsing is een botsing van twee klinkers die samen een klank in de Nederlandse taal vormen. 

Slide 19 - Tekstslide

Het koppelteken
Uitzonderingen
Je gebruikt een koppelteken als er in het samengestelde woord cijfers voorkomen.

bijvoorbeeld:
80-jarige, 70-plusser.

Slide 20 - Tekstslide

Koppelteken
Je gebruikt een koppelteken
als er in het samengestelde
woord een afkorting voorkomt.

Bijvoorbeeld:
usb-stick, mbo-opleiding, 
A5-formaat, Sint-Nicolaas

Slide 21 - Tekstslide

Koppelteken
Je gebruikt een koppelteken bij
aardrijkskundige namen.

Bijvoorbeeld: 
Zuid + Holland = Zuid-Holland.
Zuid-Afrika, Noord-Italië, 
's-Gravenhage, West-Amerika.

Slide 22 - Tekstslide


Koppelteken

In samenstellingen die verkeerd gelezen kunnen worden, plaatsen we een koppelteken:

zo-even, stage-uren, radio-omroep, na-apen.

Slide 23 - Tekstslide

Koppelteken
In woorden met de voorvoegsels:
adjunct-                 leerling-
aspirant-                niet-
bijna-                       non-
ex-                             oud-
interim-                                                         ex-roker
kandidaat-                                                   oud-voorzitter

Slide 24 - Tekstslide

Koppelteken?
A
drieëndertig
B
drie en dertig
C
drie-en-dertig

Slide 25 - Quizvraag

Koppelteken of geen koppelteken?
A
Astma-aanval
B
Astmaaanval

Slide 26 - Quizvraag

§4 Weglatingsstreepje
Als je een deel van een woord weglaat, mag dat met een weglatingsstreepje.

Slide 27 - Tekstslide

§4 Weglatingsstreepje
Als je het eind van het woord weglaat, komt het streepje bij het eerste woord aan het eind.

Bijvoorbeeld: op- of aanmerkingen


Slide 28 - Tekstslide

§4 Weglatingsstreepje
Als je het begin van het woord weglaat, komt het streepje aan het begin van het tweede woord.

Bijvoorbeeld:  damesjassen en -jurken.
- laat je een heel woord weg, dan gebruik je geen streepje.

Slide 29 - Tekstslide

§4 Weglatingsstreepje

Laat je een heel woord weg, dan gebruik je geen streepje. 
Bijvoorbeeld: Hoge en lage cijfers.

Slide 30 - Tekstslide

Waar is het weglatingsstreepje correct gebruikt?
A
in voor- en tegenspoed
B
bestuurs- en strafrecht
C
in voorspoed en tegen-
D
straf- en bestuursrecht

Slide 31 - Quizvraag

Waar is het weglatingsstreepje correct gebruikt?
A
voor- en nadelen
B
voor en na-delen
C
voor en -nadelen
D
voor en nadelen

Slide 32 - Quizvraag

Waar is het weglatingsstreepje correct gebruikt?
A
binnen en buitenkant
B
binnen- en buitenkant

Slide 33 - Quizvraag

Wat: Maak de opdracht van cursus 7 §4 spelling opdracht 1 t/m 5 op blz. 254-255
Hoe:  Individueel, maar je mag op fluisterniveau overleggen met degene die naast je zit. 
Hulp: Theorie uit je boek of internet.
Tijd: 15 min.

Klaar?
Verder werken aan Stiefkind
timer
15:00

Slide 34 - Tekstslide