SPQR herhaling grammatica thema 1

SPQR herhaling grammatica
Thema 1
1 / 38
volgende
Slide 1: Tekstslide
LatijnMiddelbare schoolvwoLeerjaar 1

In deze les zitten 38 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

SPQR herhaling grammatica
Thema 1

Slide 1 - Tekstslide

werkwoord
persoonsvorm: past zich aan het onderwerp van de zin aan
infinitivus: hele werkwoord

een werkwoordsvorm bestaat uit een stam + uitgang
stam: het deel dat niet verandert
uitgang: geeft aan welke werkwoordsvorm het precies is (persoonsvorm ev of mv / infinitivus)

Slide 2 - Tekstslide

Wat betekent:
venire
A
hij komt
B
wij komen
C
zij komen
D
komen

Slide 3 - Quizvraag

Wat betekent:
audit
A
hij hoort
B
jij hoort
C
zij horen
D
horen

Slide 4 - Quizvraag

Wat betekent:
vocat
A
hij roept
B
zij roept
C
zij roepen
D
roepen

Slide 5 - Quizvraag

Wat betekent:
vident
A
hij ziet
B
wij zien
C
zij zien
D
zien

Slide 6 - Quizvraag

werkwoord
stam + t = hij/zij/het -vorm     voca-t      hij/zij/het roept
stam + nt = zij (meervoud)      voca-nt   zij roepen
stam + re = infinitivus                voca-re  (te) roepen

Slide 7 - Tekstslide

naamval
- vorm van een zelfstandig naamwoord
- te herkennen aan uitgang
- geeft grammaticale functie van woord in zin aan

Slide 8 - Tekstslide

Wat is de functie van de nominativus?
A
onderwerp
B
lijdend voorwerp
C
meewerkend voorwerp
D
bijwoordelijke bepaling

Slide 9 - Quizvraag

In welke naamval staat in het Latijn het meewerkend voorwerp?
A
nominativus
B
dativus
C
accusativus
D
ablativus

Slide 10 - Quizvraag

Waarvoor wordt de accusativus gebruikt?
A
alleen als lijdend voorwerp
B
alleen na voorzetsels
C
als onderwerp en lijdend voorwerp
D
als lijdend voorwerp en na voorzetsels

Slide 11 - Quizvraag

Waar of niet waar:
bij een ablativus staat in het Latijn altijd een voorzetsel
A
waar
B
niet waar

Slide 12 - Quizvraag

gebruik van naamvallen
nominativus:   - onderwerp
genitivus:        - bijvoeglijke bepaling
dativus:           - meewerkend voorwerp
accusativus:   - lijdend voorwerp
                       - na sommige voorzetsels
ablativus:        - bijwoordelijke bepaling zonder voorzetsel
                       - na sommige voorzetsels

Slide 13 - Tekstslide

Rex feminam videt.
Welk woord is nominativus?
A
rex
B
feminam
C
videt
D
er staat geen nominativus in de zin

Slide 14 - Quizvraag

Welk woord is accusativus:
Regem femina videt.
A
regem
B
femina
C
videt
D
er staat geen accusativus in de zin

Slide 15 - Quizvraag

nominativus
dativus
accusativus
ablativus
geen naamval
(werkwoord 
of voorzetsel)
Rex
filiae
donum
dat

Slide 16 - Sleepvraag

nominativus
dativus
accusativus
ablativus
geen naamval
(werkwoord 
of voorzetsel)
Romulus
in
fratrem
necat
urbe
gladio

Slide 17 - Sleepvraag

nominativus
dativus
accusativus
ablativus
geen naamval
(werkwoord 
of voorzetsel)
Feminae
in
aquam
portant
urbem
viris
cum
pueris

Slide 18 - Sleepvraag

de vormen van de naamvallen
Zie schema.
groep 1:   woorden op -a (als femina)
groep 2:   woorden op -us (als servus) en -um (als donum)
groep 3:   woorden met meervoud op -es  (als rex) en 
                    meervoud op -a (als nomen)

Slide 19 - Tekstslide

sleepvraag
Zoek het woord op in de woordenlijst.
Kies de juiste verbuigingsgroep.
Let op: de gegeven woorden kunnen in een andere vorm dan de nominativus staan!

Slide 20 - Tekstslide

groep 1
femina
groep 2
servus
groep 2
donum
groep 3
rex
groep 3
nomen
saxum
bella
dei
flumina
pugnam
soli
milites
partium
murum
poenas

Slide 21 - Sleepvraag

Welke naamval(len) is:
dominos (van dominus)
A
nom ev
B
nom mv
C
acc ev
D
acc mv

Slide 22 - Quizvraag

Welke naamval(len) is:
templi
(van templum)
A
gen ev en nom mv
B
nom mv
C
gen ev
D
dat ev

Slide 23 - Quizvraag

Welke naamval(len) is:
duces
(van dux, duces)
A
nom ev
B
nom mv
C
gen ev
D
nom en acc mv

Slide 24 - Quizvraag

Welke naamval(len) is:
equum
(van equus)
A
nom ev
B
acc ev
C
nom en acc ev
D
gen mv

Slide 25 - Quizvraag

Welke naamval(len) is:
agmina
(van agmen, agmina)
A
nom en abl ev
B
nom en acc mv
C
nom en abl ev + nom en acc mv
D
nom ev

Slide 26 - Quizvraag

zinnen
Op de volgende slides staan Latijnse zinnen 
met een Nederlandse vertaling.
Soms is deze vertaling juist, soms niet.
Als de vertaling niet juist is, kies dan het antwoord 
dat aangeeft wat er niet klopt aan de vertaling.

Slide 27 - Tekstslide

Puellas Romani retinent.
De meisjes houden de Romeinen tegen.
A
juist
B
meisje ipv meisjes
C
meisjes is lijdend voorwerp
D
van de Romein ipv Romeinen

Slide 28 - Quizvraag

Vir urbem saxis civibus aedificat.
De mannen bouwen voor de burgers een stad met rotsblokken.
A
juist
B
man ipv mannen
C
steden ipv stad
D
met de burgers ipv voor de burgers

Slide 29 - Quizvraag

Pueri patres ad aquam portant.
De jongens dragen de vaders naar het water.
A
juist
B
vaders is onderwerp
C
jongen ipv jongens
D
vader ipv vaders

Slide 30 - Quizvraag

Fratres hostem gladio necant.
De broer doodt de vijand met een zwaard.
A
juist
B
broers ipv broer
C
broer is lijdend voorwerp
D
zwaarden ipv zwaard

Slide 31 - Quizvraag

Wat is GEEN dativus?
A
nocte
B
auxilio
C
custodibus
D
puellae

Slide 32 - Quizvraag

Wat is enkelvoud?
A
mandata
B
pericula
C
turba
D
signa

Slide 33 - Quizvraag

Wat is genitivus?
A
soli
B
igni
C
flumini
D
saxi

Slide 34 - Quizvraag

Wat hoort er niet bij?
A
culpa
B
matres
C
amici
D
nomina

Slide 35 - Quizvraag

Welke hoort er niet bij:
A
noctium
B
annorum
C
virum
D
dearum

Slide 36 - Quizvraag

Tot slot:
Wat vind jij lastig aan Latijn?
Heb je nog iets anders op te merken over Latijn?

Slide 37 - Open vraag

FINIS

Slide 38 - Tekstslide