Zinsdelen benoemen

Zinsdelen benoemen
Stappenplan:
1. persoonsvorm en gezegde
2. onderwerp
3. lijdend voorwerp
4. meewerkend voorwerp
5. bepalingen
1 / 22
volgende
Slide 1: Tekstslide
Basisschool

In deze les zitten 22 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

Onderdelen in deze les

Zinsdelen benoemen
Stappenplan:
1. persoonsvorm en gezegde
2. onderwerp
3. lijdend voorwerp
4. meewerkend voorwerp
5. bepalingen

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 2 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Tips & tricks
1. pv + gez. zijn werkwoorden
2. ow = wie/wat iets doet in de zin
3. lijd.vw. = wie/wat wordt door het ow gedaan? NIET IN ELKE ZIN
4. meew. vw = aan wie/voor wie? NIET IN ELKE ZIN
5. bepalingen blijven over en geven antwoord op:
waar/hoe/wanneer/waarmee? NIET IN ELKE ZIN

Slide 3 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat is de pv?
Mama gaat straks eten voor ons maken.

Slide 4 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is het gezegde?
Mama gaat straks eten voor ons maken.

Slide 5 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is het onderwerp?
Mama gaat straks eten voor ons maken.

Slide 6 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Het lijdend voorwerp, wat is dat?

Slide 7 - Tekstslide

Leg aan je schoudermaatje uit wat het lijdend voorwerp is.
Wat is het lijdend voorwerp?
Mama gaat straks eten voor ons maken.

Slide 8 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Hoe vind je ook al weer het meewerkend voorwerp?
A
vraagzin maken
B
vragen wie iets doet
C
vragen wie of wat + onderwerp + ww gez
D
vragen aan wie of voor wie + ond + ww gez + lv

Slide 9 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is het meewerkend voorwerp?
Mama gaat straks eten voor ons maken.

Slide 10 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is de bepaling?
Mama gaat straks eten voor ons maken.

Slide 11 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies


Slide 12 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Mijn moeder

bakt

een ei.
Lijdend voorwerp

Slide 13 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

peroonsvorm
onderwerp
lijdend voorwerp
De jongens
spelen
minecraft
op de computer.

Slide 14 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is het meewerkend voorwerp in de volgende zin:
Dit cadeau is voor jou.
A
Dit cadeau
B
is
C
voor jou

Slide 15 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is het meewerkend voorwerp?
'Mijn oma appt mij het recept.'
A
Mijn oma
B
mij
C
het recept
D
Er is geen meewerkend voorwerp

Slide 16 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is het meewerkend voorwerp?

Sophie doet jou de groeten
A
Geen meewerkend voorwerp
B
jou
C
Sophie
D
de groeten

Slide 17 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Ik vraag mijn moeder om uitleg.
Wat is het meewerkend voorwerp?
A
Ik
B
vraag
C
mijn moeder
D
om uitleg.

Slide 18 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Moeder kookte een heerlijke maaltijd.
Ik zie haar.
Wij geven jullie een bos bloemen.
Heb je hun geschreven?
Lijdend voorwerp
Meewerkend voorwerp
Lijdend voorwerp
Meewerkend voorwerp

Slide 19 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

Bepalingen
Zoals je nu waarschijnlijk weet, zijn de bepalingen de zinsdelen die overblijven als je alle andere zinsdelen hebt benoemd. 

Een bepaling kan bijvoorbeeld meer informatie geven over:
 tijd (wanneer?) , plaats (waar?) of reden (hoe? waarmee? waarom?). 

Slide 20 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Ik
had
dat tijdschrift 
gelezen.
vorig jaar
Onderwerp
Persoonsvorm 
Lijdend Voorwerp
 Gezegde
Bepaling

Slide 21 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies


A

Slide 22 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies