Unit 3,4

Lesson Kenya
1 / 38
volgende
Slide 1: Tekstslide
EngelsMiddelbare schoolvwoLeerjaar 3

In deze les zitten 38 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

Lesson Kenya

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

The lion, the witch and the wardrobe

'It is always winter but never Christmas'



Slide 2 - Tekstslide

Welk kerstfiguur komen we tegen in het boek? 
The lion, the witch and the wardrobe

What does father Christmas give the children? Why? Who does father Christmas represent?


Slide 3 - Tekstslide

This is demonstrating how Christianity, which is the essence of goodness , also equips its adherents with “tools” needed to traverse the world and battle temptation, cruelty, and evil.
The lion, the witch and the wardrobe

The winter is slowly disappearing. Why? What does the winter symbolize?  

Slide 4 - Tekstslide

the forever-winter the White Witch has imposed on Narnia can be seen as the spiritual impoverishment and literal winter of the soul that estrangement from Christianity engenders. If the witch is the devil and Alsan is Jesus it symbolizes the coming of Christ and shows that Christ is the true king of the world and not the devil. Satan is actually called the god of this world, can we see that in our day to day lives? Does that scare you? 
Translate: acquaintance

Slide 5 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Translate: to trace back

Slide 6 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Translate: orphanage

Slide 7 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Translate: sustainable

Slide 8 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Vertaal: inrichten

Slide 9 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Vertaal: schuurtje

Slide 10 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Vertaal: zolder

Slide 11 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Wanneer gebruik je de present simple in the future?
A
Dingen die volgens schema gaan gebeuren
B
Bij een voorspelling gebaseerd op een aanwijzing
C
dingen die gepland zijn en vrijwel zeker gaan gebeuren
D
Bij een voorspelling gebaseerd op een mening

Slide 12 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is de verleden tijd van to be?
A
was
B
were
C
been

Slide 13 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is het voltooid deelwoord van to begin?
A
begin
B
began
C
begun
D
begon

Slide 14 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is de verleden tijd van to drink?
A
drink
B
drank
C
drunk
D
dronk

Slide 15 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Hoe goed kende ik de stof?
😒🙁😐🙂😃

Slide 16 - Poll

Deze slide heeft geen instructies

Adjectives versus adverbs

Slide 17 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Adjectives 


BIJVOEGLIJKE NAAMWOORD

1. Frank is a good singer 
2. My brother is a careful driver.

Beschrijft iets of iemand. 
Het zegt iets over het zelfstandig naamwoord.

Slide 18 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

 Adverbs
BIJWOORD

1. Frank sings well. 
2. My brother drives carefully.

Beschrijven andere woorden (werkwoorden, adjectives, adverbs)
Ze geven aan hoe iets wordt gedaan. 

Slide 19 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Adverb beschrijft een adjective

                     1. Frank is an extremely good singer.
                             2. My brother is an awfully careful driver.
                       3. It's an absolutely perfect video clip.


Slide 20 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Adverb beschrijft een adverb

                   1. Frank sings absolutely beautifully.
         2. My brother drives really well.
                                 3. That clip was filmed extremely perfectly. 




Slide 21 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Overview
Een bijwoord verwijst naar een van de volgende dingen.
1. Een werkwoord
                       2. Een bijvoeglijk naamwoord
         3. Een ander bijwoord
4. De hele zin       




Slide 22 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

-ly
Most adverbs are formed by adding -ly after the adjective.
Beautiful - beautifully

Remember! Sometimes the spelling of the adverb changes. 
Terrible - terribly
Easy - easily

Slide 23 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Irregular  adverbs
There are also irregular adverbs. 
The adverb for good is  well - She's a good performer. She performs well. 

A few adverbs have the same form as the adjective.
Fast (snel), fair (sportief/eerlijk), low, high, hard, long, late, loud  and straight (onmiddelijk) - He's a fast driver, He drives fast






Slide 24 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Pay attention!
If you use a 'verb of the senses' (een zingtuiglijk werkwoord, waarmee je iets doet met je zintuigen)--> adjective 

Your senses are your eyes, nose, mouth, fingers and ears, so 'verbs of the senses' are: see, smell, taste, feel, hear

For example: 
The song sounds beautiful. (not beautifully). 
The softness of your jacket feels good. (not well)

Slide 25 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies


Which one is the adjective?
A
Beautiful
B
Well
C
Normally
D
Wonderfully

Slide 26 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies


Max is a ... singer.
A
Good
B
Well

Slide 27 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies


This hamburger tastes ...
A
Awful
B
Awfully

Slide 28 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies


You can ... open the box.
A
Easy
B
Easily
C
Easyly

Slide 29 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies


He drives the car ...
A
Carefully
B
Careful

Slide 30 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies


Jamie Oliver cooks ...
A
Fantastic
B
Fantasticly
C
Fantastically

Slide 31 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies


Madonna is a ... singer.
A
Terribly
B
Terrible

Slide 32 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies


That pizza smells ...
A
Nicely
B
Nice

Slide 33 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies


I think a Friesian horse is ...
A
Beautiful
B
Beautifully

Slide 34 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Adjectives & adverbs
I know the difference
😒🙁😐🙂😃

Slide 35 - Poll

Deze slide heeft geen instructies

Adjectives & adverbs
I know how to form them
😒🙁😐🙂😃

Slide 36 - Poll

Deze slide heeft geen instructies

Adjectives & adverbs
I know how to use them
😒🙁😐🙂😃

Slide 37 - Poll

Deze slide heeft geen instructies

TASK

  • Do paragraph 3.4: exercises 5 and 6  
    


Slide 38 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies