Woordenschat 6V

Woordenschat 6V
Examenidioom SE 5
1 / 21
volgende
Slide 1: Tekstslide
DuitsMiddelbare schoolvwoLeerjaar 6

In deze les zitten 21 slides, met interactieve quizzen en tekstslide.

time-iconLesduur is: 15 min

Onderdelen in deze les

Woordenschat 6V
Examenidioom SE 5

Slide 1 - Tekstslide

Die Zusammenfassung
A
samenvatting
B
toestemming
C
samenhang
D
samenstelling

Slide 2 - Quizvraag

nachvollziehbar
A
na te trekken, te doen
B
begrepen, te gaan
C
geheel, aantrekkelijk
D
begrijpelijk, te volgen

Slide 3 - Quizvraag

die Einräumung
A
de consequentie, aangeven
B
de opruiming, regelen
C
de concessie, toegeven
D
de inhoud, verzorgen

Slide 4 - Quizvraag

demnächst
A
binnenkort
B
op korte termijn
C
de volgende
D
volgens de lijst

Slide 5 - Quizvraag

Bedingung
A
voorwaardelijk
B
voorwaarde
C
voor altijd
D
vorige waarde

Slide 6 - Quizvraag

Folge / Schlussfolgerung
A
volgende / conclusie
B
gevolg / consistent
C
gevolg / conclusie
D
volgende / consequent

Slide 7 - Quizvraag

kurzfristig
A
sinds kort
B
al kort geleden
C
na een korte tijd
D
op korte termijn

Slide 8 - Quizvraag

dagegen / hingegen
A
daaroptegen
B
daartegenover
C
daarentegen
D
daarheen

Slide 9 - Quizvraag

darüber hinaus / überdies
A
daarover uit
B
bovendien
C
buiten deze
D
bovenop

Slide 10 - Quizvraag

die Bestätigung
A
de bewerking
B
de ondertekening
C
de bezoldiging
D
de bevestiging

Slide 11 - Quizvraag

hervorgehen aus
A
het voorafgaande
B
blijken uit
C
uit het vorige
D
uit het verleden

Slide 12 - Quizvraag

die Erläuterung
A
de klank
B
de toestand
C
de belichting
D
de toelichting

Slide 13 - Quizvraag

infolgedessen
A
zodoende
B
met als gevolg
C
als gevolg van
D
zoals gezegd

Slide 14 - Quizvraag

stattdessen
A
in plaats daarvan
B
op de plaats van
C
de staat van
D
in staat zijn

Slide 15 - Quizvraag

die Gleichgültigkeit
A
de gelijkwaardigheid
B
de ongelijke situatie
C
de gelijkgeaardheid
D
de onverschilligheid

Slide 16 - Quizvraag

das Erstaunen
A
het steunen
B
de verbaasde blik
C
de verbazing
D
de steun

Slide 17 - Quizvraag

sich beziehen auf
A
betrekking hebben op
B
zich aantrekken
C
de betrekkelijkheid
D
slaan op

Slide 18 - Quizvraag

derzeit
A
thans
B
nu
C
destijds
D
vroeger

Slide 19 - Quizvraag

behaupten / die Behauptung
A
hopen / de hoop
B
beweren / de bewering
C
gehoopt / gehoopt
D
bewaard / de bewaring

Slide 20 - Quizvraag

die Eifersucht
A
naijver
B
jalouzie
C
ijverigheid
D
jaloers

Slide 21 - Quizvraag