Question words/ object pronouns / prepositions

Question words
1 / 29
volgende
Slide 1: Tekstslide
EngelsMiddelbare schoolmavoLeerjaar 1

In deze les zitten 29 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 100 min

Onderdelen in deze les

Question words

Slide 1 - Tekstslide

"...... book is this?"

It is Naomi's book.
A
what
B
when
C
why
D
whose

Slide 2 - Quizvraag

" ..... mobile phone is this?"

"It's Paul's"
A
who
B
whose
C
which
D
what

Slide 3 - Quizvraag

"..... candy do you like more?"

"I like the orange candy."
A
which
B
where
C
who
D
why

Slide 4 - Quizvraag

"....... is your name? "

My name is Mark.
A
where
B
what
C
why
D
who

Slide 5 - Quizvraag

"..... much does it cost?"

"20 euro's"
A
how
B
what
C
when
D
which

Slide 6 - Quizvraag

"..... are you crying?"

"I am sad."
A
why
B
when
C
what
D
which

Slide 7 - Quizvraag

" ..... will you visit your mother?"

"Tomorrow."
A
when
B
why
C
which
D
whose

Slide 8 - Quizvraag

"..... is that girl?"

"Her name is Bianca."
A
what
B
who
C
why
D
when

Slide 9 - Quizvraag

"..... are you meeting?"

"Friends."
A
why
B
when
C
who
D
which

Slide 10 - Quizvraag

"..... do you live?"

"I live in Dronten."
A
whose
B
why
C
when
D
where

Slide 11 - Quizvraag

"..... did you come back?"

"Today."
A
why
B
what
C
where
D
when

Slide 12 - Quizvraag

"..... old are you?"

I am 13 years old.
A
which
B
why
C
how
D
what

Slide 13 - Quizvraag

"..... are you too late?"

"Because I was sleeping..."
A
whose
B
how
C
why
D
when

Slide 14 - Quizvraag

"..... do you want to eat?"

"Pancakes."
A
why
B
what
C
when
D
where

Slide 15 - Quizvraag

".... does the man work?"

"He works at the school?"
A
where
B
whose
C
which
D
what

Slide 16 - Quizvraag

He gives (haar) a pretty flower.
A
her
B
she

Slide 17 - Quizvraag

We are hungry. Please give ....... food.
A
me
B
us
C
her
D
him

Slide 18 - Quizvraag

Subject
vertaling
Object
vertaling
Possessive
vertaling

I
Ik
Me 
mij
My
mijn
You
jij
You
jou
Your
jouw
He
hij
Him
hem
His
zijn
She
zij
Her
haar
Her
haar
It
het
It
het
Its
zijn
We 
wij
Us
ons
Our
ons
They
zij
Them
hen
Their
hun

Slide 19 - Tekstslide

What do you want from (ons)?
A
we
B
us

Slide 20 - Quizvraag

She is a famous singer. I like ............
A
him
B
us
C
her
D
me

Slide 21 - Quizvraag

object pronouns
Als je het echter hebt over met wie je iets doet of aan wie je iets geeft, gebruik je de object pronouns:

-  Marco gives the book to Ammy
-   Marco gives the book to her




Slide 22 - Tekstslide

object pronouns
Waar vind je object pronoun?
Na to of with
Aan het einde van een zin
Na het werkwoord

Slide 23 - Tekstslide

We like (hem) a lot.
A
him
B
her

Slide 24 - Quizvraag

Object pronouns
(persoonlijke voornaamwoorden - voorwerpsvorm)

Slide 25 - Tekstslide

I can't do the exercise. Please help.......
A
me
B
her
C
us
D
him

Slide 26 - Quizvraag

Today is Tom's birthday. I want to give a gift to........
A
her
B
us
C
him
D
it

Slide 27 - Quizvraag

Prepositions
Een voorzetsel (preposition) zegt iets over de relatie tussen verschillende elementen in een zin. Zo heb je voorzetsels die iets zeggen over de locatie/plaats (in het huis, op het huis, onder het huis) en heb je voorzetsels die iets zeggen over de tijd (om half zeven, op donderdag, in 2012).

Slide 28 - Tekstslide

Voorbeelden van prepositions
kijk op pagina 14

Slide 29 - Woordweb