Keuzedeel 06-10-2020

Keuzedeel Jeugd- en Opvoedhulp 06-10-2020
1 / 26
volgende
Slide 1: Tekstslide
Pedagogisch werkMBOStudiejaar 3

In deze les zitten 26 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

Keuzedeel Jeugd- en Opvoedhulp 06-10-2020

Slide 1 - Tekstslide

Doelen
- De student weet het verschil tussen de stoornissen
- De student weet welke stoornis hij/zij nog dient te gaan te bestuderen

Slide 2 - Tekstslide

Leerjaar 2 periode 1
Ontwikkelingsstoornissen (ADHD, ADD, Autisme)
 Gedragsstoornissen (ODD/CD) 
Psychiatrische stoornissen (Angststoornis, borderline, PTSS, eetstoornis)

Slide 3 - Tekstslide

Wanneer wordt iets een stoornis genoemd?

Slide 4 - Woordweb

Stoornis
"Wanneer de persoon in kwestie door zijn handeling of probleem niet goed meer functioneert en daar last van ondervindt in zijn dagelijkse functioneren EN ( nadrukkelijk) wanneer zijn omgeving geremd wordt in hun functioneren.''

Slide 5 - Tekstslide

Ontwikkelstoornissen





Ontwikkelingsstoornissen komen aan het licht doordat kinderen zich op een of meer punten anders ontwikkelen dan hun leeftijdgenoten. Kinderen of adolescenten met een ontwikkelingsstoornis gedragen zich anders en leren niet dezelfde dingen als hun leeftijdgenoten. De normale ontwikkeling wijkt af of wordt belemmerd.


Slide 6 - Tekstslide

Ontwikkelstoornissen 
ADHD
ADD
Autisme

Slide 7 - Tekstslide

ADHD DSM 5

-‘Voldoende’ symptomen van aandachtstekort en/of hyperactiviteit/impulsiviteit zijn aanwezig
-Een aantal van deze symptomen is aanwezig vóór het twaalfde levensjaar
-De symptomen doen zich voor in meerdere sociale contexten (gezin, school, buurt)
-Deze symptomen zorgen voor ernstige beperkingen in het sociale, school- of beroepsmatige functioneren van het kind/de jongere
-Deze symptomen kunnen niet beter worden verklaard door aanwezigheid van een andere stoornis

Slide 8 - Tekstslide

ADD
Het is een beetje als ADHD, alleen zie je het hyperactief zijn niet aan de buitenkant, maar is het hyperactief zijn in je hoofd. Je gedachten staan nooit stil en het is heel moeilijk om je te kunnen concentreren op iets.

Slide 9 - Tekstslide

Autisme
-Klassiek autisme
-Asperger
-PDD nos

Slide 10 - Tekstslide

DSM 5

Slide 11 - Tekstslide

Gedragsstoornissen
Kinderen met een gedragsstoornis vertonen regelmatig zeer negatief gedrag, zonder aanwijsbare reden. Dit gedrag is niet tijdelijk, maar treedt al een lange tijd op. Deze kinderen kunnen hun emoties moeilijk in bedwang houden. Ze raken snel gefrustreerd en kunnen moeilijk omschakelen naar een andere houding. Een gedragsstoornis ontstaat meestal door een combinatie van erfelijke aanleg en een omgeving die hier niet helemaal goed mee om kan gaan.

Slide 12 - Tekstslide

Gedragsstoornissen
ODD (oppositionele-opstandige stoornis)
CD (conduct disorder = gedragsstoornis)
Beide vaak in combinatie met autisme, ADHD, lvg, angst- of depressieve stoornis

Slide 13 - Tekstslide

ODD
Driftig
Verzet zich tegen regels
Weigert zich te voegen naar wat de volwassene vraagt
Maakt vaak ruzie met volwassenen
Ergert anderen met opzet
Geeft de schuld van eigen fouten aan anderen
Is prikkelbaar, ergert zich vaak
Is boos of gepikeerd
Is hatelijk en wraakzuchtig

Slide 14 - Tekstslide

CD
Pest, bedreigt, intimideert
Gebruikt wapens en brengt lichamelijk letsel toe
Zet aan tot vechten
Mishandelt mens en dier
Dwingt tot seksueel contact
Steelt of liegt en vernielt met de bedoeling ernstige schade aan te richten
Spijbelt en loopt weg van huis

Slide 15 - Tekstslide

Psychiatrische stoornissen

Borderline 
Angststoornis
PTSS
Eetstoornis

Slide 16 - Tekstslide

Slide 17 - Link

Borderline

Wanneer je een borderline persoonlijkheidsstoornis hebt, voel je je vaak niet in balans, maar erg instabiel en kan je (ook voor jezelf) soms onvoorspelbaar reageren. Je voelt je vaak snel afgewezen en bent bang om door mensen die belangrijk voor jou zijn in de steek gelaten te worden. Je kan sterk emotioneel reageren als dat dreigt te gebeuren.

Slide 18 - Tekstslide

Ongeveer een derde van de mensen met een borderline persoonlijkheidsstoornis heeft minimaal één andere persoonlijkheidsstoornis. Mensen met deze stoornis hebben ook vaker dan anderen een posttraumatische stress stoornis (PTSS) of een eetstoornis zoals boulimia. 

Slide 19 - Tekstslide

Kenmerken borderline
- Vriendschappen en relaties
- Hevige emoties (woede, onvoorspelbaarheid, leegte)
-Bijzonder impulsief
-Zelfbeschadiging
-Splitten

Slide 20 - Tekstslide

Over welke specifieke stoornis zou ik nog meer willen weten?

Slide 21 - Woordweb

Opdracht
1. Je kiest een stoornis waar je je nog verder in wilt verdiepen.
2. Je gaat de theorie bestuderen.
3. Je maakt drie quizvragen bij deze stoornis, waarvan minstens één ABCD vraag (zie voorbeeld volgende dia)
4. De quizvraag stuur je vóór aanstaande vrijdag op.

Slide 22 - Tekstslide

Wanneer is iets een stoornis?
A
Wanneer de omgeving van de persoon wordt geremd in het functioneren
B
Wanneer een persoon een dipje heeft
C
Wanneer de persoon last vind in het dagelijkse functioneren
D
Antwoord A en C zijn goed

Slide 23 - Quizvraag

Wat zegt deze afbeelding over wat er met iemand gebeurt wanneer hij/zij een borderline stoornis heeft?

Slide 24 - Tekstslide

De ontwikkelingspsychologie vertelt iets over de normale ontwikkeling
A
Goed
B
Fout

Slide 25 - Quizvraag

TIP
Probeer bij het formuleren van je quizvragen na te denken hoe je de koppeling legt met een jeugdige. Dus niet enkel bijv. kenmerken vragen van een stoornis, maar welk concreet gedrag laat een jeugdige zien met bijv. een angststoornis.

Slide 26 - Tekstslide