Lichaamsdelen/avoir mal à/ww-re/il faut

Chez le docteur - chapitre 4
Les parties du corps
Avoir mal à
Verbes -re 
Il faut
1 / 20
volgende
Slide 1: Tekstslide
FransMiddelbare schoolvwoLeerjaar 2

In deze les zitten 20 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 3 videos.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Chez le docteur - chapitre 4
Les parties du corps
Avoir mal à
Verbes -re 
Il faut

Slide 1 - Tekstslide

Slide 2 - Video

Welke lichaamsdelen ken je al in het Frans?

Slide 3 - Woordweb

Noem zoveel mogelijk Franse lichaamsdelen met hun lidwoord.

Slide 4 - Open vraag

Slide 5 - Video

Elle a mal où?

Slide 6 - Woordweb

Il a mal où?
A
Il a mal aux oreilles.
B
Il a mal au cou.
C
Il a mal aux yeux.
D
Il a mal à la tête.

Slide 7 - Quizvraag

Il a mal où?
A
Il a mal à la tête.
B
Il a mal au genou.
C
Il a mal au bras.
D
Il a mal au dos.

Slide 8 - Quizvraag

Elle a mal où?
A
Elle a mal au genou.
B
Elle a mal à la jambe.
C
Elle a mal au ventre.
D
Elle a mal à la main.

Slide 9 - Quizvraag

Il a mal où?
A
Il a mal au ventre.
B
Il a mal au coeur.
C
Il a mal au dos.
D
Il a mal à la jambe.

Slide 10 - Quizvraag

Hoe zeg je 'Ik heb pijn aan' in het Frans?

Slide 11 - Open vraag

Maak een zelf een zin in het Frans.
'Ik heb pijn aan + lichaamsdeel'

Slide 12 - Open vraag

Pak de pages jaunes chapitre 4 erbij. Welke regelmatige werkwoorden op -re zie daar staan?

Slide 13 - Open vraag

Regelmatige werkwoorden
Regelmatige werkwoorden -er, -ir, -re. ​
-er: manger, nager, regarder, ecouter etc. ​
 –ir:  Finir, choisir, rougir, réussir 
Nu de laatste categorie: -re
Voorbeelden: 
Perdre = verliezen | vendre = verkopen
Attendre = wachten op | etendre = horen
Rendre = teruggeven

Slide 14 - Tekstslide

Je
Tu
Il/Elle/On
Nous
Vous
Ils/Elles
perds
perds
perd
perdons
perdez
perdent

Slide 15 - Sleepvraag

Je
Tu
Il/Elle/On
Nous
Vous
Ils/Elles
as attendu
ai entendu
a rendu
avons vendu
avez vendu
ont perdu

Slide 16 - Sleepvraag

Il faut
il faut + hele werkwoord ​
     Par exemple:​
il faut faire des exercices! – je moet oefeningen doen!​
il faut écouter! – jullie moeten luisteren!​
Il faut aller au docteur! - je moet naar de dokter gaan!

Slide 17 - Tekstslide

Slide 18 - Video

Wat adviseert de dokter allemaal?

Slide 19 - Open vraag


Slide 20 - Open vraag