V1H 31 maart - Persoonlijk en bezittelijk voornaamwoord

Welkom bij Nederlands
V1H 31 maart - Persoonlijk en bezittelijk voornaamwoord

Nodig: tekstboek + wisbordje
1 / 47
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 1,2

In deze les zitten 47 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 15 min

Onderdelen in deze les

Welkom bij Nederlands
V1H 31 maart - Persoonlijk en bezittelijk voornaamwoord

Nodig: tekstboek + wisbordje

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Sterk werkwoord
zwak werkwoord
bidden
fietsen 
worden
zijn
hebben
schrijven
lachen
dansen

Slide 2 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

Woordenboekvorm. Eindigt vaak op '-en', behalve 'gaan', 'slaan', 'staan', 'zijn'. Deze vorm volgt ook na de woorden 'aan het' en 'te'. 
Begint vaak met 'ge-', maar niet altijd. Verandert niet als de tijd van de zin verandert. Als deze werkwoordsvorm in de zin staat, staat er ook een werkwoordsvorm van 'hebben', 'zijn' of 'worden' in de zin. 
Woorden die een toestand of voortgang aangeven (terwijl het onderwerp ondertussen ook met iets anders bezig is). Verandert niet als je de tijd van de zin verandert. 
Een zin die in deze vorm staat, drukt een bevel of opdracht uit. In deze zinnen staat geen onderwerp. 
Deze vorm kun je vinden door de zin van tijd te veranderen. Woorden die dan veranderen, zijn deze werkwoordsvorm. 
Persoonsvorm 
Gebiedende wijs
Heel werkwoord / Infinitief
Voltooid deelwoord
Onvoltooid deelwoord

Slide 3 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

Om een werkwoord goed te schrijven moet je eerst bepalen wat de ______________ is.
Er zijn vijf werkwoordsvormen: ________, ________, __________,  ___________, __________.
De regel van het ex-kofschip gebruik je bij ______________________ .

Het _________________ schrijf je altijd zo kort mogelijk.

De _______________ is hetzelfde als het hele werkwoord.

Het _______________  schrijf je altijd hetzelfde: hele werkwoord + d. Je hoeft hier dus niet te letten op ____________
werkwoordsvorm
tijd en getal
od
pv, vd, inf
od, bn
de verleden tijd en het voltooid deelwoord
bn
infinitief

Slide 4 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

    Plaats de werkwoordsvorm in de goede kolom.
infinitief

voltooid deelwoord
glimmen

draaien
gedacht
vragen
gewezen
gefloten
worden
voorspeld

Slide 5 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

Sleep het werkwoord naar de juiste werkwoordsvorm. Er is maar één antwoord goed.
PVTT
PVVT
VD
OD
biedt
gemonopolyd
heringericht
onderhandeld
hees
Besteedt
schud
dichtend
opgeschreven
speelde
tackelend
gebeurt

Slide 6 - Sleepvraag

Bij deze vraag -1 punt eraf per fout. 
Zal zij de zak chips weggegooid hebben?

Sleep het werkwoord naar de goede werkwoordsvorm toe.
pvtt
voltooid deelwoord
infinitief
zal
weggegooid
hebben

Slide 7 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

Vandaag gaan wij samen met mijn moeder cupcakes bakken. 

Sleep het werkwoord naar de goede werkwoordsvorm toe.
pv
voltooid deelwoord
infinitief
gaan
bakken

Slide 8 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

Zet de juiste werkwoordsvorm bij het bijbehorende werkwoord. 

Waarom moet jij zo lachen?
persoonsvorm (pv)
voltooid deelwoord
(vd)
hele werkwoord
(hele ww)

Slide 9 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

Pak je wisbordje!
  • Schrijf eerst de werkwoordsvorm op (vd, od, bn).
  • Schrijf daarachter het werkwoord.

voorbeeld:       bn - gelopen

Slide 10 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Het … (pesten) meisje meldde zich … (huilen) bij haar mentor.

Slide 11 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Het … (pesten) meisje meldde zich … (huilen) bij haar mentor.
      bn - gepeste
      od - huilend

Slide 12 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Met een tang werd de … (verroesten) spijker uit het … (verweren) kozijn … (halen).

Slide 13 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Met een tang werd de … (verroesten) spijker uit het … (verweren) kozijn … (halen).

bn - verroeste
bn - verweerde
vd - gehaald

Slide 14 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Is de … (verwijderen) leerling … (lachen) het lokaal uit … (wandelen)?

Slide 15 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Is de … (verwijderen) leerling … (lachen) het lokaal uit … (wandelen)?
bn - verwijderde
od - lachend
vd - gewandeld

Slide 16 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Op dit pas … (aanleggen) bospad zijn vandaag al tientallen … (fietsen) toeristen … (passeren).

Slide 17 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Op dit pas … (aanleggen) bospad zijn vandaag al tientallen … (fietsen) toeristen … (passeren).

bn - aangelegde
bn - fietsende
vd - gepasseerd 

Slide 18 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Aan de slag!
  • Controleer of jouw bonustaak af is.
  • Ga oefenen bij 'Trainen' met de moeilijke stukken. 
  • Maak een oefentoets.

Slide 19 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Pak je wisbordje!
  • Schrijf steeds de hele zin over.
  • Zet streepjes tussen de zinsdelen.
  • Zet bij ieder zinsdeel de 'code' (ow, wg, ng, lv, mv) - Je hebt niet altijd alle zinsdelen! 

Slide 20 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Vanavond zal de directeur de geslaagden hun diploma’s uitreiken.

Slide 21 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Vanavond / zal / de directeur / de geslaagden / hun diploma’s / uitreiken.

Slide 22 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Zal dat schilderij van Mondriaan door de gemeente Den Haag worden verkocht?

Slide 23 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Zal / dat schilderij van Mondriaan / door de gemeente Den Haag / worden verkocht?

Slide 24 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Op de A28 staan twee motoragenten bekeuringen uit te delen aan snelheidsduivels.

Slide 25 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Op de A28 / staan / twee motoragenten / bekeuringen / uit te delen / aan snelheidsduivels.

Slide 26 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Naamwoordelijk gezegde
  • Schrijf het gezegde op.
  • Vergeet de vierkante haken om het naamwoordelijk deel niet!

Slide 27 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

In Nederland zullen de liedjes van André Hazes altijd bekend blijven.

Slide 28 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

In Nederland zullen de liedjes van André Hazes altijd bekend blijven.

ng = zullen [bekend] blijven 

Slide 29 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Later wordt Heleen van Velsen vermoedelijk een beroemde danseres.

Slide 30 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Later wordt Heleen van Velsen vermoedelijk een beroemde danseres.

ng = wordt [een beroemde zangeres]

Slide 31 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Grammatica §6
Woordsoorten: Persoonlijk en bezittelijk voornaamwoord

Slide 32 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Grammatica
Twee manieren van ontleden:
> zinsdelen (ow, wg/ng, lv, mv)
> woordsoorten (blw/olw, azn/czn/zn-e, bn/st.bn)

Ik hou van dunne frietjes met mayo en lust geen ketchup.
Ik hou van dunne frietjes met mayo en lust geen ketchup.

Slide 33 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat hoort er bij zinsontleding/ woordsoorten?
lidwoord
werkwoord
persoonsvorm
zelfstandig naamwoord
werkwoordelijk gezegde
bijvoeglijk naamwoord
zinsdelen
woordsoorten benoemen

Slide 34 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

Kijk naar de volgende zin. Welke woorden horen bij de onderstaande woordsoorten? Je moet sommige woordsoorten vaker gebruiken en je kunt nog niet alle woorden plaatsen.
Zelfstandig naamwoord
Bijvoeglijk naamwoord
lidwoord
werkwoord
De
kabouter
zit
op
een
paddenstoel
grote

Slide 35 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

Kijk naar de volgende zin. Welke woorden horen bij de onderstaande woordsoorten? Je moet sommige woordsoorten vaker gebruiken en je kunt nog niet alle woorden plaatsen.
Zelfstandig naamwoord
Bijvoeglijk naamwoord
lidwoord
werkwoord
De
dj
draait
op
het
festival.
leuke

Slide 36 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

Het persoonlijk voornaamwoord

ik, mij, me
jij, je, jou
hij, hem
zij, haar
u
het
Het persoonlijk voornaamwoord

wij, we, ons
jullie
zij, ze
hen, hun

Slide 37 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Let op!
Het woordje 'het' is een persoonlijk voornaamwoord als het niet voor een znw staat, maar zelfstandig in de zin voorkomt. Het is dan een ding of zaak (iets) en het is een apart zinsdeel als je de zin ontleedt.

Ik geef het cadeau aan haar.
Ik geef het aan haar.

In de tweede zin is het een persoonlijk voornaamwoord, het is dan iets, het is een apart zinsdeel en er staat geen lw achter.

Slide 38 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat is het persoonlijk voornaamwoord in deze zin:
Ik kijk televisie met mijn broertje.
A
ik
B
mijn
C
televisie
D
broertje

Slide 39 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is het persoonlijk voornaamwoord in deze zin:
Zij geeft mij altijd complimentjes.
A
zij
B
mij
C
zij én mij
D
altijd

Slide 40 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is het persoonlijk voornaamwoord in deze zin:
Ik geef het op.
A
ik
B
het
C
ik én het
D
op

Slide 41 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Is HET een lidwoord of een persoonlijk voornaamwoord in de volgende zin:
Ik wacht HET nog even af.
A
lidwoord
B
persoonlijk voornaamwoord
C
geen van beide
D
allebei

Slide 42 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Het bezittelijk voornaamwoord

mijn
jouw, je
zijn
haar
uw
Het bezittelijk voornaamwoord

onze, ons
jullie
hun

Slide 43 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Let op!
Bij de woorden 'hun' , 'jullie' en 'ons' moet je goed kijken of het persoonlijk of bezittelijk voornaamwoord is.

Ik geef hun een compliment.                                 = pers. vnw
Het is namelijk hun eigen verdienste.                = bez. vnw

Wie wil ons huis kopen?                                            = bez. vnw
Zij willen het huis van ons overnemen.              = pers. vnw

Slide 44 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Is 'ons' persoonlijk of bezittelijk voornaamwoord:
Zij kijkt ons indringend aan.
A
pers.vnw
B
bez.vnw
C
geen van beide
D
allebei

Slide 45 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Is 'ons' persoonlijk of bezittelijk voornaamwoord:
Ons idee is om een taart te bakken.
A
pers.vnw
B
bez.vnw
C
geen van beide
D
allebei

Slide 46 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Aan de slag:
  • Maak in je boek opdracht 1 (blz. 215) - TIP: gebruik kleurtjes!

  • Klaar? Begin dan met de taak 'Persoonlijk en bezittelijk voornaamwoord' in Planning.


timer
10:00

Slide 47 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies