Vaste voorzetsels

24 september 2025

Spreken: samen een gesprek voeren in de voltooide tijd (15 minuten)

Leuk vinden om - een hekel hebben aan

Werkwoorden met een vast voorzetsel (A2 pagina 224) en (B1 pagina 76)

Werken uit het boek





1 / 26
volgende
Slide 1: Tekstslide
NT2ISK

In deze les zitten 26 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 2 videos.

time-iconLesduur is: 12 min

Onderdelen in deze les

24 september 2025

Spreken: samen een gesprek voeren in de voltooide tijd (15 minuten)

Leuk vinden om - een hekel hebben aan

Werkwoorden met een vast voorzetsel (A2 pagina 224) en (B1 pagina 76)

Werken uit het boek





Slide 1 - Tekstslide

15 minuten spreken in de voltooide tijd
                            Voorbeelden van gespreksonderwerpen: 

  • eten en koken 
  • werk en studie
  • reizen en vervoer 
  • ervaringen 
  • familie en vrienden
Stel vervolgvragen: met wie, waar, wanneer, hoe lang, hoe was het? 

Slide 2 - Tekstslide

leuk vinden om te.. hekel hebben aan..
Je zegt:  leuk vinden om te
                  hekel hebben aan 
Voorbeeld:  
  • Ik vind het leuk om te lezen.
  • Ik heb een hekel aan afwassen.
 

Slide 3 - Tekstslide

Maak zinnen.
Wat vind je leuk om te doen?

Slide 4 - Woordweb

Maak zinnen.
Waar heb je een hekel aan?

Slide 5 - Woordweb

Wat zijn voorzetsels?

Slide 6 - Woordweb

Slide 7 - Video

Slide 8 - Video


Wat is het voorzetsel in de volgende zin:

De trein uit Amsterdam kwam om vier uur aan.
A
uit, aan
B
om, aan
C
uit, om
D
om, uit, aan

Slide 9 - Quizvraag

Niet-vaste voorzetsels

Onze hond Max ligt het liefst op/naast/achter/onder de bank te slapen.

Bij liggen passen verschillende voorzetsels.
Liggen heeft dus géén vast voorzetsel.

Slide 10 - Tekstslide

 Vaste voorzetsels bij werkwoorden

Bij sommige werkwoorden hoort een vast voorzetsel.

Je kunt het voorzetsel dan niet vervangen door een ander voorzetsel.

Slide 11 - Tekstslide

 Vaste voorzetsels bij werkwoorden
Voorbeelden van vaste voorzetsels bij werkwoorden:

kijken  +   naar             Ik kijk naar buiten.
zorgen  + voor             Ik zorg voor de patiënt. 
komen  + uit                 Ik kom uit Nederland.

Slide 12 - Tekstslide

Zij schamen zich (voor) hun rommelige kamer.
A
vast
B
niet-vast

Slide 13 - Quizvraag

Je moet je niet vergelijken (met) de buren.
A
vast
B
niet-vast

Slide 14 - Quizvraag

De cursisten vertrekken (om) 08.15 uur naar school.
A
vast
B
niet-vast

Slide 15 - Quizvraag

Meneer De Wit moet zich aanpassen ...... het niveau van de leerlingen.
A
met
B
aan
C
tegen
D
op

Slide 16 - Quizvraag

Of de cursisten volgende week hoge cijfers halen voor de toets hangt af .......... hoe goed zij leren.
A
op
B
aan
C
van
D
voor

Slide 17 - Quizvraag

Kan de mentor mij toevoegen .......... de groepsapp?
A
over
B
aan
C
in
D
op

Slide 18 - Quizvraag

Het is heel vervelend als je zakt ....... je rijbewijs.
A
met
B
met
C
op
D
voor

Slide 19 - Quizvraag


Toen ze jarig was, (Feliciteerde) Carla haar ____ haar verjaardag.

Slide 20 - Open vraag


Na schooltijd (belt) Vivian vaak nog uren ____haar beste vriendinnen.

Slide 21 - Open vraag


Chris stond ruim een kwartier te (wachten) _____ het meisje met wie hij had afgesproken.

Slide 22 - Open vraag


Tobias kan niet (wennen) _____ de nieuwe buurt.

Slide 23 - Open vraag


Klaas wil graag (proeven) ... de appeltaart die zijn vader net uit de oven heeft gehaald.

Slide 24 - Open vraag

  Bedenk een zin met een werkwoord met een vast voorzetsel.
-voor
-aan
-op
-naar
-van
-in
-uit
-met
-tegen

Slide 25 - Tekstslide

Hoe ging het oefenen met vaste voorzetsels vandaag?
😒🙁😐🙂😃

Slide 26 - Poll