Fälle: Nominativ, Genitiv, Akkusativ, Dativ

1 / 39
volgende
Slide 1: Tekstslide
DuitsMiddelbare schoolvwoLeerjaar 1

In deze les zitten 39 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

Slide 1 - Tekstslide

Fälle / naamvallen 
Net als in het Latijn heb je in het Duits naamvallen.
In het Latijn zijn het er vijf in het Duits maar vier:
Nominativ, Genitiv, Dativ, Akkusativ.
In deze Lesson Up herhaal je nog eens hoe het zit met de Nominativ, Akkusativ, Dativ en Genitiv in het Duits.

Slide 2 - Tekstslide

Welke naamval?
Om te bepalen welke naamval je moet hebben, gebruik je de 

hij/hem-regel



Slide 3 - Tekstslide

Nominativ
Nominativ = 1e naamval = onderwerp:
  • je kunt dit zinsdeel vervangen door hij
  • na de koppelwerkwoorden sein, werden, bleiben, heißen

Das Mädchen schreibt eine Karte. = Hij schrijft een kaartje.
Der Bruder ist ein guter Bergsteiger. = Hij is hij.  
Dezelfde persoon staat in dezelfde naamval.



Slide 4 - Tekstslide

Der-Gruppe im Nominativ und Akkusativ
Alleen bij männlich verschilt de uitgang in de Akkusativ.
ezelsbruggetje: RESE 

Slide 5 - Tekstslide

Akkusativ
Akkusativ = 4e naamval = lijdend voorwerp
  • je kunt dit zinsdeel vervangen door hem

Die Freunde erreichen den Berggipfel. 
= De vrienden bereiken hem.

Ezelsbruggetje: NESE

Slide 6 - Tekstslide

Ein-Gruppe im Nominativ und Akkusativ
Der-Gruppe = Ein-Gruppe behalve Nominativ männlich en Nominativ en Akkusativ sächlich

Slide 7 - Tekstslide

Also
  • Hij/hem-regel toepassen om de naamval te bepalen

  • Kijken welk geslacht een woord heeft, leer lidwoorden bij zelfstandig naamwoorden en regels


Slide 8 - Tekstslide

Ergänze = schrijf het hele lidwoord op:
D... Fußballspieler ist bekannt.

Slide 9 - Open vraag

Ergänze:
Der Klub hat ein... jungen Fußballspieler gekauft.

Slide 10 - Open vraag

Ergänze:
Ein... Lehrer arbeitet viel.

Slide 11 - Open vraag

Ergänze:
Gestern sah ich d... Deutschlehrer in der Stadt.

Slide 12 - Open vraag

Ergänze:
D... Küste von Holland ist lang.

Slide 13 - Open vraag

Ergänze:
Hat Karl auch ein... Schwester?

Slide 14 - Open vraag

Ergänze:
D... Verpackungen liegen auf dem Boden.

Slide 15 - Open vraag

Ergänze:
Er hat kein... Verpackungen weggeworfen.

Slide 16 - Open vraag

Ergänze:
Ich mag d... Fach Deutsch sehr.

Slide 17 - Open vraag

Ergänze:
Aber ein... Fach mag ich bestimmt nicht: Mathe.

Slide 18 - Open vraag

Slide 19 - Tekstslide

Dativ
Dativ = 3e naamval = meewerkend voorwerp
  • je kunt dit zinsdeel vervangen door (aan/voor) hem
Achtung: als je een zinsdeel door hem vervangt, moet je nu ook checken of je er aan/voor bij kunt zetten!

Das Mädchen schenkt der Mutter einen Blumenstrauß.
Het meisje geeft aan hem een bos bloemen.


Slide 20 - Tekstslide

Wie sieht es im Dativ aus?
männlich + sächlich= dem / einem
weiblich = der / einer
Mehrzahl = den / keinen

Achtung: in de Dativ Mehrzahl komt er achter het Substantiv een -n-, behalve als het eindigt op -n- of -s-:
den Kindern
Ezelsbruggetje: marsman(n)

Slide 21 - Tekstslide

Der- und Ein-Gruppe im Nominativ, Dativ und Akkusativ

Slide 22 - Tekstslide

Ergänze = schrijf hier lidwoord én zelfstandig naamwoord op!
Die Tante gibt d... Kinder... ein Buch.

Slide 23 - Open vraag

Ergänze:
Der Mann bezahlt d... Kellner die Rechnung.

Slide 24 - Open vraag

Ergänze:
Der Vater sagt d... Lehrerin, dass sein Sohn krank ist.

Slide 25 - Open vraag

Ergänze = schrijf hier lidwoord én zelfstandig naamwoord op!
Die Lehrerin gibt d... Schüler.. die Hefte zurück.

Slide 26 - Open vraag

Ergänze:
Sie erzählt d... Mädchen ein Märchen.

Slide 27 - Open vraag

Ergänze Dativ und Akkusativ:
Er schickt d... Eltern ein... Karte aus Berlin.

Slide 28 - Open vraag

Ergänze Dativ und Akkusativ:
Gibst du d... Mädchen d... Adresse?

Slide 29 - Open vraag

Ergänze Dativ und Akkusativ:
Er bezahlt d... Taxifahrer d... Fahrt

Slide 30 - Open vraag

Ergänze Dativ und Akkusativ:
Hast du d... Freundin ein... Geheimnis erzählt?

Slide 31 - Open vraag

Slide 32 - Tekstslide

Genitiv
Vzvw ’van’ Gen (van niet vertalen!)

männlich + sächlich= des / eines
weiblich = der / einer
Mehrzahl = der / keiner

Slide 33 - Tekstslide

Genitiv
männlich
weiblich
sächlich
Mehrzahl
Nom
der Mann
ein Mann
die Frau
eine Frau
das Kind
ein Kind
die Kinder
meine Kinder
Gen
des Mannes*
eines Mannes
der Frau
einer Frau
des Kindes*
eines Kindes
der Kinder
meiner Kinder
Dat
dem Mann
einem Mann
der Frau
einer Frau
dem Kind
einem Kind
den Kindern
meinen Kindern
Akk
den Mann
einen Mann
die Frau
einer Frau
das Kind
ein Kind
die Kinder
meine Kinder

Slide 34 - Tekstslide

* bij de Genitiv krijgt het zelfstandig naamwoord de uitgangen:

“-es” na zelfstandige naamwoorden met één lettergreep:
Voorbeelden: Kindes, Hauses, Sohnes etc.
“-s” na zelfstandige naamwoorden met meerdere lettergrepen:
Voorbeelden: Vaters, Onkels, Mädchens etc.

Slide 35 - Tekstslide

Ergänze im Genitiv:
Das Buch (van de vader) ist teuer.

Slide 36 - Open vraag

Ergänze im Genitiv:
Das Haus (van de ouders) ist groß.

Slide 37 - Open vraag

Ergänze im Genitiv:
Das Kind (van de moeder) ist 11.

Slide 38 - Open vraag

Ich habe die Theorie verstanden!
😒🙁😐🙂😃

Slide 39 - Poll