H2 Steden §2 oefeningen

H2 §2 De spreiding van wereldsteden
Programma:
1. Oefening Welk woord weg? Dit zijn oefeningen in verbanden leggen
2. Hoe-hoe zinnen maken.
3. Leerdoelen uitschrijven

1 / 17
volgende
Slide 1: Tekstslide
AardrijkskundeMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 2

In deze les zitten 17 slides, met tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

H2 §2 De spreiding van wereldsteden
Programma:
1. Oefening Welk woord weg? Dit zijn oefeningen in verbanden leggen
2. Hoe-hoe zinnen maken.
3. Leerdoelen uitschrijven

Slide 1 - Tekstslide

Leerdoelen
  • Je kent de factoren die de ligging van steden beïnvloeden.
  • Je begrijpt het verschil in verstedelijkingstempo tussen rijke en arme landen.
  • Je kunt het verband tussen verstedelijkingsgraad, verstedelijkingstempo en welvaart uitleggen.

Slide 2 - Tekstslide

Welk woord weg?
Leg uit welk woord er niet bij hoort door het verband tussen de andere begrippen uit te leggen.
1. centrumland - infrastructuur - primate city
2. periferie - urbanisatietempo - stedelijk netwerk
3. vestigingsoverschot - koloniale dubbelstad - natuurlijke bevolkingsgroei
timer
8:00

Slide 3 - Tekstslide

Welk woord weg?
1. centrumland - infrastructuur - primate city
Een centrumland is een goed ontwikkeld land. Daar is een goede infrastructuur, zodat steden verspreid over het land liggen. Primate cities komen vooral in arme landen voor, omdat op het platte land weinig toekomst is en de mensen naar de stad verhuizen. 

Slide 4 - Tekstslide

Welk woord weg?
2. periferie - urbanisatietempo - stedelijk netwerk
In de periferie trekken veel mensen van het platteland naar de stad. Het urbanisatietempo is hoog. Een stedelijk netwerk komt vooral in centrumlanden voor.            Òf:
Periferie hoort er niet bij. Dit is een arm land, zonder stedelijk netwerk. In rijke landen zijn er stedelijke netwerken. De mensen zijn verdeeld over de steden en het urba. tempo ligt laag.

Slide 5 - Tekstslide

Welk woord weg?
3. vestigingsoverschot - koloniale dubbelstad - natuurlijke bevolkingsgroei
Een stad groeit door een vestigingsoverschot en een positieve natuurlijke bevolkingsgroei: er komen meer mensen bij dan er dood/ weggaan. Een koloniale dubbelstad is in het verleden ontstaan doordat de kolonisten aan de originele stad een nieuw deel hebben gebouwd.

Slide 6 - Tekstslide

Welk woord weg?
3. vestigingsoverschot - koloniale dubbelstad - natuurlijke bevolkingsgroei
Òf: Een natuurlijke bevolkingsgroei hoort er niet bij. Een koloniale dubbelstad is in het verleden ontstaan doordat de kolonisten aan de originele stad een nieuw deel hebben gebouwd. Vervolgens vestigden de kolonisten zich daar --> vestigingsoverschot. Pas later kwam er natuurlijke bev.groei.

Slide 7 - Tekstslide

2. Hoe-hoe zinnen maken
Een hoe-hoe zin is een zin die een verband aangeeft. Bijv. Hoe meer chocolade ik eet, hoe blijer ik word.
Òf: hoe beter ik de begrippen voor een proefwerk leer, hoe meer kennis ik van de stof heb en dus hoe hoger het cijfer is dat ik ga halen.

Slide 8 - Tekstslide

2. Hoe-hoe zinnen maken
1. Wat is het verband tussen de welvaart en de urbanisatiegraad?
2. Wat is de relatie tussen de absolute ligging en de bevolkingsdichtheid?
3. Wat is het verband tussen de relatieve ligging en de aanwezigheid van een stedelijk netwerk?
timer
8:00

Slide 9 - Tekstslide

2. Hoe-hoe zinnen maken
1. Wat is het verband tussen de welvaart en de urbanisatiegraad?
Hoe beter de welvaart, hoe meer mensen in de tertiaire sector werken, dus hoe hoger de urbanisatiegraad.

Slide 10 - Tekstslide

2. Hoe-hoe zinnen maken
2. Wat is de relatie tussen de absolute ligging en de bevolkingsdichtheid?
Hoe gunstiger de kenmerken van het gebied waarin een stad ligt, hoe meer mensen er wonen, dus hoe hoger de bevolkingsdichtheid.

Slide 11 - Tekstslide

2. Hoe-hoe zinnen maken
3. Wat is het verband tussen de relatieve ligging en de aanwezigheid van een stedelijk netwerk?
Hoe gunstiger de ligging van een stad ten opzichte van andere steden, hoe meer er sprake is van een stedelijk netwerk.

Slide 12 - Tekstslide

3. Uitschrijven leerdoelen
Pak de leerdoelen van §2.2 erbij en schrijf alle drie de leerdoelen in hele zinnen uit.

Slide 13 - Tekstslide

Leerdoelen
  • Je kent de factoren die de ligging van steden beïnvloeden.
De ligging van steden wordt beïnvloed door
- de kenmerken van het gebied waarin een stad ligt, zoals de vruchtbaarheid van de grond, aanwezigheid van rivieren en zee en grondstoffen (absolute ligging).
- de kenmerken van de ligging van een plaats t.o.v. andere plaatsen (relatieve ligging)

Slide 14 - Tekstslide

Leerdoelen
- het koloniale verleden. In landen die vroeger een kolonie waren, zijn veel steden aan de kust met een goede haven. Sommige steden zijn uitgegroeid tot megasteden.

Slide 15 - Tekstslide

Leerdoelen
  • Je begrijpt het verschil in verstedelijkingstempo tussen rijke en arme landen.
In rijke landen woont een groot deel van de bevolking in steden (>75%, dus hoge urbanisatiegraad). Het urbanisatietempo is daardoor laag. In arme landen is de urbanisatiegraad laag en verhuizen veel mensen naar de stad voor een beter leven en is dus het urbanisatietempo hoog.

Slide 16 - Tekstslide

Leerdoelen
  • Je kunt het verband tussen verstedelijkingsgraad, verstedelijkingstempo en welvaart uitleggen.
Hoe hoger de welvaart, hoe meer mensen in de tertiaire sector werken, dus hoe hoger het percentage van de bevolking dat in de stad woont en dus hoe later het urbanisatietempo.

Slide 17 - Tekstslide