Schrijven/ grammatica (au)

Spelling & grammatica
1 / 31
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsVoortgezet speciaal onderwijsLeerroute 4

In deze les zitten 31 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

Spelling & grammatica

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat gaan we doen
- Interpunctie 
- Spelling & grammatica

- Toepassen in een tekst 
 


Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Hoofdletters 
1. Waar staat altijd een hoofdletter? 
2. Wanneer gebruik je het nog meer? 

Slide 3 - Tekstslide

1. begin van de zin. 
2. Personen, aardrijkskunde, feestdagen, heilig of uniek, namen van bedrijven, sommige afkortingen. 
Welke is goed?
A
nederland
B
Nederland

Slide 4 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Welke is goed?
A
Johan de wit
B
johan de wit
C
Johan de Wit
D
Johan De Wit

Slide 5 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Welke is goed?
A
de Tweede kamer
B
de tweede kamer

Slide 6 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Welke is goed?
A
mbo
B
MBO

Slide 7 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Verbeter de zin:
tijdens kerstmis moest johan aanwezig zijn in de eerste kamer om te stemmen op de nieuwe mbo wet

Slide 8 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Verbeter de zin:
met pasen verstopt mijn moeder altijd paaseieren omdat dit een echte nederlandse traditie is

Slide 9 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Verbeter de zin:
alle leerlingen worden gek van deze stomme opdracht die ze moeten maken

Slide 10 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Leestekens
1. Waarvoor gebruik je het? 
2. Wanneer gebruik je het? 
3. Geef minimaal 3 voorbeelden van leestekens. 

Slide 11 - Tekstslide

1. de leesbaarheid van een tekst vergroten. 
2. Einde zin. Samengestelde zinnen d.m.v. komma. Vraagzinnen of juist een uiting van iets duidelijk maken! Vergeet niet te benoemen dat je aanhalingstekens gebruikt in een geschreven tekst wanneer iemand iets zegt/ vraagt/ roept etc. 
3. punt, komma, vraagteken, uitroepteken, aanhalingstekens, dubbele punt, opsomming, haakjes, 
Samengestelde zinnen
Ik ren altijd vier kilometer. 
Ik vind rennen leuk. 

Ik ren altijd vier kilometer, want dat vind ik leuk. 

Slide 12 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wanneer je iets zegt: 
Harriet riep kun je dat zelf niet doen? 
Correct: 
Harriet riep: 'Kun je dat zelf niet doen?' 

Dat kan niet zegt Piet. Ze zijn al weggefietst. 
Correct: 
'Dat kan niet', zegt Piet. 'Ze zijn al weggefietst.' 

Slide 13 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Maak de zin kloppend met de juiste leestekens:
op het dok worden leerlingen nooit aangesproken op hun taalgebruik

Slide 14 - Open vraag

Besteed extra aandacht aan: 
- Hoofdletters aan het begin van de zin EN bij namen ('Het Dok') 

Op Het Dok worden leerlingen nooit aangesproken op hun taalgebruik. 


een van de leerlingen vraagt elke pauze mag ik een koekje

Slide 15 - Open vraag

Een van de leerlingen vraagt elke pauze: 'Mag ik een koekje?' 

- Hoofdletter bij de vraagzin en vraagteken aan het einde signaleert het einde van de zin dus geen punt na de hoge komma. 

Gevorderde: Eén van de leerlingen vraagt. 
welke zin vonden jullie het makkelijkst vraagt tom

Slide 16 - Open vraag

'Welke zin vonden jullie het makkelijkst?', vraagt Tom. 

- Vergeet de komma niet toe te voegen. Weet niet of basis dit ook moet weten overigens. 
Als / dan

Iets is even groot als 
Tip: zoals 


Hij is groter dan 

Slide 17 - Tekstslide

Als: 
het is hetzelfde/ even groot/ net zoals 

Dan:
Iets is groter dan. Ezelsbruggetje de ER aan het eind. Kan praktisch altijd toegepast worden. (overtreffende trap). 
Tim is groter ...... Tom.
A
als
B
dan

Slide 18 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Eén kilo veren weegt hetzelfde ..... één kilo ijzer
A
als
B
dan

Slide 19 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Nederlands is leuker ..... biologie
A
als
B
dan

Slide 20 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Zij ziet er net zo moe uit .... haar buurvrouw.
A

Slide 21 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Slide 22 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Aaneenschrijven:

- Combinatie van woorden die samen een eenheid vormen. 

- Woorden met de-het-een zoveel mogelijk aan elkaar 
Voorbeelden: 

Fietsventieldopje

koekenpan

Derdewereldland




Slide 23 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wanneer er een uitspraakprobleem ontstaat gebruik je een koppelteken:
en 

Foute voorbeelden: 
naapen, skiinstructeur 
Broekspijp

zee-egel 

koekenpan 

Slide 24 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Verzin zelf minimaal twee samengestelde woorden.

Slide 25 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Jouw of jou

Slide 26 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Bezittelijk voornaamwoord
Jouw wanneer het bezittelijk is. 
Tip: vervangen door mijn 

Slide 27 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

1. Was jou/ jouw judotraining niet vandaag?
A
jou
B
jouw

Slide 28 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

2. Vanwege mijn arrogante houding zette de portier me/ mij eruit.
A
me
B
mij

Slide 29 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Opdracht 
Schrijf je eigen tekst van minimaal 10 tot maximaal 15 zinnen zonder leestekens te gebruiken. 


Slide 30 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Einde van de gezamelijke les
Ga verder op Studiemeter :) 

Slide 31 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies