De leerling:
- Legt het basisidee over opvoeden volgens Hellinckx en collega’s uit.
- Somt de vier categorieën van samenleven op.
- Geeft eigen voorbeelden voor de categorieën van samenleven.
- Herkent over welke categorie van samenleven het gaat in een gegeven casus.
- Beschrijft de twee componenten in de opvoedingssituaties.
- Legt uit waarom Hellinckx en collega’s opvoeden als een complementair en circulair proces zien.
- Legt uit wat de pedagogische vraag inhoudt.
- Somt de acht kindfactoren op.
- Geeft eigen voorbeelden voor de kindfactoren.
- Herkent over welke kindfactor(en) het gaat in een gegeven casus.
- Legt uit wat het pedagogisch aanbod inhoudt.
- Somt de negen ouderfactoren op.
- Geeft eigen voorbeelden voor de ouderfactoren.
- Herkent over welke ouderfactor het gaat in een gegeven casus.
- Legt uit wanneer er volgens Hellinckx en collega’s sprake is van een goed lopend opvoedingsproces.
- Argumenteert waarom een goede opvoeding niet allesbepalend is.
- Analyseert een casus aan de hand van het gezinspedagogisch model.