LEEFOMGEVING · RIVIEREN
Examentraining
Rivieren en waterbeheer: zo pak je examenvragen aan
Ondergelopen uiterwaarden van de Waal bij Heerewaarden, juli 2021
LEEFOMGEVING · RIVIEREN
Examentraining
Rivieren en waterbeheer: zo pak je examenvragen aan
Ondergelopen uiterwaarden van de Waal bij Heerewaarden, juli 2021
Les 2 van 3. Laat leerlingen in tweetallen overleggen bij de open vragen. Image credit: Cultureel Gelderland / Wikimedia Commons, CC0
LEEFOMGEVING · RIVIEREN
Wat ga je kunnen?
Ik kan afvoergrafieken en profielen lezen, ingrepen op schaalniveaus analyseren en een beargumenteerde mening geven.
Deze slide heeft geen instructies
LEEFOMGEVING · RIVIEREN
Zo pak je een examenvraag aan
1. Lees: onderstreep het vraagwoord: geef, beschrijf, leg uit, beredeneer of beargumenteer.
2. Bekijk: lees bij een grafiek of profiel eerst de titel, de assen en de eenheden.
3. Verbind: leg het verband tussen gegeven en begrip: oorzaak, gevolg, verklarend principe.
4. Schrijf: gebruik vaktaal en schrijf een keten: 'doordat ..., daardoor ...'.
Deze slide heeft geen instructies
LEEFOMGEVING · RIVIEREN
Vraagtype 1: een afvoergrafiek lezen
Lees de assen: tijd (uren, dagen of maanden) en debiet in m3/s.
Zoek de piek: wanneer en hoe hoog? Vergelijk met de neerslagpiek: dat verschil is de vertragingstijd.
Steile stijging en korte vertragingstijd: weinig infiltratie door verstening, ontwatering of steile hellingen.
Groot verschil tussen zomer en winter: onregelmatig regiem, typisch voor een regenrivier.
De Geul overstroomt in Valkenburg, 15 juli 2021
Image credit: Romaine / Wikimedia Commons, CC0
Grafiek Maas: 60 m3/s in augustus, 1800 m3/s in januari. Wat blijkt hieruit?
De Maas wordt vooral door smeltwater gevoed
De vertragingstijd van de Maas is erg lang
De Maas heeft een onregelmatig regenregiem
Stuwen houden het debiet in januari hoog
Goed: een groot verschil tussen zomer en winter past bij een regenrivier: in de winter veel neerslag en weinig verdamping, in de zomer veel verdamping. Leerlingen die 'smeltwater' kiezen, verwarren de Maas met de Rijn. Stuwen regelen de waterstand bij lage afvoer, ze maken geen water.
Na de bouw van een wijk piekt een beek na 6 in plaats van 12 uur. Verklaar dit.
Goed antwoord: door de woonwijk is er meer verhard oppervlak (verstening). Regenwater kan minder infiltreren en stroomt via daken, straten en riolen snel naar de beek. Daardoor wordt de vertragingstijd korter en de piek hoger. Verwachte fout: alleen 'er valt meer regen', terwijl de neerslag niet veranderd is.
LEEFOMGEVING · RIVIEREN
Vraagtype 2: lengte- en dwarsprofiel
Lengteprofiel: hoogte tegen afstand. Verval is het hoogteverschil, verhang is verval gedeeld door afstand.
Reken eenheden om: 50 meter verval over 250 km is 0,2 m/km, dus 20 cm/km.
Dwarsprofiel benedenloop: zomerbed met kribben, uiterwaarden, dijk en het lage binnendijkse land.
Noem in je antwoord altijd de eenheid, en bij een profiel ook waar het steil of vlak is.
Deze slide heeft geen instructies
Lobith 10 m +NAP, zee 0 m, afstand 130 km. Bereken het verhang in cm/km.
Goed antwoord: verval is 10 m, dat is 1000 cm. Verhang = 1000 cm / 130 km = ongeveer 7,7 cm/km. De getallen zijn afgerond voor de oefening. Verwachte fouten: 10/130 = 0,077 opschrijven zonder eenheid, of vergeten meters om te rekenen naar centimeters.
Waar liggen de uiterwaarden in een dwarsprofiel van de benedenloop?
Buitendijks, tussen het zomerbed en de dijk
Binnendijks, direct achter de rivierdijk
In het zomerbed, tussen de kribben in
Binnendijks, in de laagste polder achter de dijk
Goed: uiterwaarden horen bij het winterbed en liggen buitendijks. Leerlingen die 'binnendijks' kiezen, denken dat alles wat droog ligt achter de dijk ligt. De ruimte tussen de kribben hoort bij de oever van het zomerbed.
LEEFOMGEVING · RIVIEREN
Vraagtype 3: ingrepen op schaalniveaus
Bepaal het schaalniveau van de ingreep: lokaal, regionaal, nationaal of het hele stroomgebied.
Volg het water: wat verandert er bovenstrooms, en wat merkt een gebied stroomafwaarts daarvan?
Een ingreep kan lokaal helpen en elders het probleem vergroten, bijvoorbeeld door snellere afvoer.
Bekijk ook de dimensies: natuur, economie, politiek en sociaal-cultureel.
Stuw in de Nederrijn bij Driel (2015)
Image credit: Wil Leeuwis / Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0
Duitsland legt retentiegebieden langs de Rijn aan. Leg uit wat Nederland eraan heeft.
Goed antwoord: bij hoogwater wordt bovenstrooms water tijdelijk vastgehouden of geborgen. Daardoor wordt de piekafvoer afgevlakt en komt er bij Lobith minder water tegelijk aan, dus lagere waterstanden en een kleiner overstromingsrisico in Nederland. Verwachte fout: denken dat Duitsland daarmee het water 'tegenhoudt' voor altijd. Het water komt wel, maar later en verspreid.
Waarom werken de Rijnoeverstaten samen in een internationale Rijncommissie?
Nederland beheert de stuwen in de Duitse Rijn
De EU verbiedt landen een eigen rivierbeleid
Duitsland betaalt de Nederlandse dijkversterking
Maatregelen in het hele stroomgebied bepalen de afvoer
Goed: wat bovenstrooms gebeurt (verstening, kanalisatie, retentie) bepaalt de afvoer benedenstrooms. Daarom gaat rivierbeleid over grenzen heen, zoals in de Internationale Commissie ter Bescherming van de Rijn. De foute opties klinken als samenwerking, maar kloppen feitelijk niet.
LEEFOMGEVING · RIVIEREN
Vraagtype 4: een beargumenteerde mening
Kies een standpunt en noem de waarde erachter: veiligheid, kosten, natuur of ruimte om te wonen.
Geef minstens twee argumenten, liefst uit verschillende dimensies.
Noem een voorbehoud of tegenargument, en laat zien waarom je standpunt toch overeind blijft.
Sluit af met je conclusie in één zin.
Deze slide heeft geen instructies
Moet bouwen in uiterwaarden verboden worden? Geef je mening met twee argumenten.
Beide standpunten kunnen goed zijn. Voor een verbod: bouwen verkleint het winterbed, dus stijgt het water bij dezelfde afvoer hoger; bewoners buitendijks lopen een grote kans op schade. Tegen: er is woningtekort, en aangepast bouwen (op terpen, drijvend) is een vorm van adaptatie. Een goed antwoord noemt een waarde, twee argumenten en een voorbehoud. Verwachte fout: een mening zonder argument uit de geografie.
'Dijken verhogen is genoeg.' Geef een tegenargument vanuit de risicobenadering.
Goed antwoord: hogere dijken verkleinen de kans, maar niet de gevolgen. Achter hogere dijken wordt vaak meer gebouwd en daalt de bodem, dus bij een doorbraak worden schade en aantal slachtoffers juist groter. Risico is kans maal gevolg, dus ook ruimte voor de rivier, berging en overstromingsrisicobewustzijn zijn nodig. Verwachte fout: alleen 'dijken zijn duur'.
Welk vraagtype vind jij het lastigst?
Een afvoergrafiek lezen
Lengte- en dwarsprofiel
Ingrepen op schaalniveaus
Een beargumenteerde mening
Laat leerlingen met hetzelfde lastigste vraagtype samen nog één vraag uit een oud examen maken.
LEEFOMGEVING · RIVIEREN
Tips voor op het examen
Bij 'leg uit' verwacht de corrector een keten van oorzaak en gevolg, niet één losse factor.
Noem bij een grafiek altijd een getal met eenheid uit de bron, zoals m3/s of cm/km.
Verwar kans en risico niet: risico is kans maal gevolg.
Denk aan het hele stroomgebied: oorzaken van hoogwater liggen vaak ver bovenstrooms.
Bij 'beargumenteer' telt je standpunt niet, je argumenten wel.
Deze slide heeft geen instructies