HAVO 2 UNITÉ 2

Unité 2 – Sports et Passions
reaql (klascode)
Weektaak 
 2.7 Écrire: reageren op advertenties
 Klokkijken -Exercice 24 tm 29, livre
leren voor TW1
-D toets Unité 2

weektaak vorige week : 
-Exercice 16a tm 16d, livre
-Exercice 9 tm 14, en ligne
-Leren Apprendre 4, 6 & notes


Stof toetsweek : 
Unité 2 : apprendres 1 tm 6 en 10

1 / 38
volgende
Slide 1: Tekstslide
FransMiddelbare schoolhavoLeerjaar 2

In deze les zitten 38 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

Onderdelen in deze les

Unité 2 – Sports et Passions
reaql (klascode)
Weektaak 
 2.7 Écrire: reageren op advertenties
 Klokkijken -Exercice 24 tm 29, livre
leren voor TW1
-D toets Unité 2

weektaak vorige week : 
-Exercice 16a tm 16d, livre
-Exercice 9 tm 14, en ligne
-Leren Apprendre 4, 6 & notes


Stof toetsweek : 
Unité 2 : apprendres 1 tm 6 en 10

Slide 1 - Tekstslide

Leerdoelen van deze week: 
  • ik kan het werkwoord POUVOIR gebruiken, heel handig!
  • ik kan zeggen of iets van mij is of van iemand anders!
  • Ik leer KLOKKIJKEN

Slide 2 - Tekstslide

Slide 3 - Tekstslide

check check : in aantekeningenschrift??






je peux                  - ik kan
tu peux                 - jij kunt
il/elle/on peut     - hij /zij/men kan
nous pouvons   - wij kunnen 
vous pouvez       - jullie kunnen
vous pouvez         - u kunt
ils peuvent           - zij kunnen
elles peuvent       - zij kunnen

PC
j'ai pu                                 ik heb gekund
tu as pu                            jij hebt gekund
il/elle/on a pu                hij / zij/ men heeft gekund
nous avons pu             wij hebben gekund
vous avez pu                u heeft gekund
vous avez pu                jullie hebben gekund
ils ont pu                        zij hebben gekund
elles ont pu                   zij hebben gekund

Slide 4 - Tekstslide

 het bezittelijk voornaamwoord 







Het bezittelijk voornaamwoord geeft aan van wie iets is
De vorm hangt af van het zelfstandig naamwoord waar het bij hoort.  
BV: Max is mijn broer - Max est mon frère (m.ev)

Slide 5 - Tekstslide

let op!!
Als een zelfstandig  naamwoord met een klinker begint zetten we er een mannelijk bezittelijk voornaamwoord voor. 
mon ami - mijn vriend
mon amie - mijn vriendin (omdat amie met een klinker begint)
mon adresse - mijn adres (vev)
MAAR!!!! als er een bijvoeglijk naamwoord tussenkomt gaat deze regel niet meer op : 
mijn beste vriendin : ma meilleure amie
mijn mooie vriendin : ma belle amie
mijn nieuwe adres ; ma nouvelle adresse

Slide 6 - Tekstslide

De vorm van het bezittelijk voornaamwoord

Slide 7 - Tekstslide

passion
adversaires
exposé
but
coude
mon
ma
mes

Slide 8 - Sleepvraag

C'est (zijn )père.
A
son
B
sa
C
ses

Slide 9 - Quizvraag

C'est (mijn)père.
A
mon
B
ma
C
mes

Slide 10 - Quizvraag

C'est (haar)père.
A
son
B
sa
C
ses

Slide 11 - Quizvraag

(hun) ... chats ne sont pas très mignons.
A
vos
B
nos
C
leur
D
leurs

Slide 12 - Quizvraag

onze clown
A
vos clown
B
ses clown
C
leurs clown
D
notre clown

Slide 13 - Quizvraag

Slide 14 - Tekstslide

Quelle heure est-il?
a) Il est dix heures et quart
b) il est trois heures moins dix
c) Il est dix minutes devant trois heures 

Slide 15 - Tekstslide

les heures
Quelle heure est-il? ->Il est ... heure(s)
-> Il est une heure
     Il est deux heures
     Il est trois heures

Il est midi - 12 uur 's middags
Il est minuit - 12 uur 's nachts

Slide 16 - Tekstslide

Les heures - half

il est une heure et demie
il est deux heures et demie
il est trois heures et demie
! il est midi et demi
! il est minuit et demi

Slide 17 - Tekstslide

Les heures - kwart over

il est une heure  et quart
il est deux heures et quart
il est neuf heures et quart
il est midi et quaart 
il est minuit et quart

Slide 18 - Tekstslide

Les heures - kwart voor

il est une heure moins le quart
il est deux heures moins le quart        
il est trois heures moins le quart
il est midi moins le quart

LET OP : bij kloktijden vertaal je IL EST niet als hij is!

Slide 19 - Tekstslide

Quelle heure est-il?
Om te zeggen hoe laat het is gebruik je: Il est .... heures.
het is kwart over ......      = il est ........ heures et quart
het is half........                   = il est ........ heures et demie
het is kwart voor ........    = il est ........ heures moins le quart
het is twaalf uur 's middags = il est midi
het is twaalf uur 's nachts     = il est minuit

Slide 20 - Tekstslide

Slide 21 - Tekstslide


il est cinq heures
il est cinq heures cinq
il est cinq heures dix
il est cinq heures et quart
il est cinq heures vingt
il est cinq heures vingt-cinq
il est cinq heures et demie

il est six heures moins vingt-cinq
il est six heures moins vingt
il est six heures moins le quart
il est six heures moins dix
il est six heures moins cinq
il est six heures

Slide 22 - Tekstslide

Il est midi
A
Het is middag
B
Het is 12 uur 's middags
C
Het is tijd
D
Het is 12 uur 's nachts

Slide 23 - Quizvraag

Il est huit heures et quart
A
Het is 8 uur
B
Het is half 8
C
Het is kwart over 8
D
Het is kwart voor 8

Slide 24 - Quizvraag

Il est cinq heures et demie
A
Het is half 5
B
Het is 5 uur
C
Het is kwart over 5
D
Het is half 6

Slide 25 - Quizvraag

Il est trois heures moins le quart
A
Het is half 3
B
Het is kwart voor drie
C
Het is kwart over 3
D
Het is half 4

Slide 26 - Quizvraag

Vertaal de kloktijd in het Nederlands:
Il est sept heures et demie.

Slide 27 - Open vraag

Vertaal de kloktijd in het Nederlands:
Il est quatre heures dix.

Slide 28 - Open vraag

Vertaal de kloktijd in het Nederlands:
Il est midi et demi

Slide 29 - Open vraag

Slide 30 - Tekstslide

Slide 31 - Woordweb

Slide 32 - Woordweb

Slide 33 - Woordweb

Slide 34 - Woordweb

Slide 35 - Woordweb

Ik kan in het Frans de klok lezen
😒🙁😐🙂😃

Slide 36 - Poll

zelfstandig werken aan weektaak 
in je werkboek
aide : 24 : zoek in de woordenlijst achterin

aide 25 : deze werkwoorden heb je in unité 1 gehad en worden allemaal met être in de passé composé vervoegd.
Let op ! zorg dat je een 'e' achter het voltooid deelwoord zet als het onderwerp vrouwelijk is en een 's ' voor meervoud (en -es- voor vrouwelijk meervoud)

aide 26 : lees de advertenties goed door en probeer meteen de te gebruiken woorden te vinden, maak ze geel/groen oid 

aide 27 : infinitief betekent heel werkwoord!

aide 28 : GEEN TRANSLATE ! maar schrijf gerust over uit de tekstjes op blz 72!!

Slide 37 - Tekstslide

Slide 38 - Video