CITO (leesvaardigheid) - theorie

1 / 28
volgende
Slide 1: Tekstslide
SpaansMiddelbare schoolhavoLeerjaar 5

In deze les zitten 28 slides, met tekstslides.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

Slide 1 - Tekstslide

De drie hoofdpunten per CITO vraag: 

1) Vraag: Wat voor soort vraag is het? 

2) Signaalwoorden: Zijn er signaalwoorden? Wat vertellen ze over de tekst? 

3) Antwoord: Ben je geneigd om een antwoord te kiezen waarvan je vrijwel zeker kan weten dat hij eigenlijk fout is? Hoe zie je dat? 

Slide 2 - Tekstslide

TEKST:

De tekst lezen door signaalwoorden te gebruiken:  

1) Zijn signaalwoorden belangrijk om de vraag te kunnen beantwoorden? 

2) Waar staan er signaalwoorden en welke signaalwoorden staan er? 

3) Wat wil dit signaalwoord ons vertellen? 


4) Welk antwoord past dan bij die zin? 

Slide 3 - Tekstslide

TEKST:

De tekst lezen door te kijken naar positief / negatief  

1) Welke antwoorden zijn er positief?  

2) Welke antwoorden zijn er negatief? 

3) Welke antwoorden passen dus sowieso niet bij het stukje gelezen tekst?

Slide 4 - Tekstslide

TEKST:

De tekst lezen door te kijken naar voorbeelden

1) Staat er een goed voorbeeld dat de rest van de informatie uit de alinea uitlegt?

2) Je hoeft de moeilijke informatie uit de alinea dus niet te vertalen. 

Slide 5 - Tekstslide

TEKST:

Waar op te letten bij het lezen van de antwoorden:

Bevatten ze listige (misleidende) ontkenningen? 

Bevatten ze woorden die antwoorden fout maken? 

Bevatten ze maar één element van een opsomming? 




Passen ze niet in de grote lijn? (Hebben niks met onderwerp te maken/ zijn negatief bij een positief tekststukje)

Slide 6 - Tekstslide

Introductie onderwerp: 

Vraag: Wat is de kern van alinea 1? 
Antwoord: link met titel + plaatje



Slide 7 - Tekstslide

Introductie onderwerp: 

Vraag: Wat wordt er gezegd over X? 
Let op: CITO helpt je op weg



Slide 8 - Tekstslide

Introductie onderwerp:  

1e vraag is open vraag
Reden: Titel is moeilijk 
Antwoord: Link titel + plaatje + info uit vraag

Slide 9 - Tekstslide

Argumenten:

- Vóór 
- Tegen 

                                                                  maar,  
toch                                                          (tegenargument)
Rond signaalwoorden (tegenstellingen) zitten argumenten

Slide 10 - Tekstslide

Expert:

Wat zeggen ze?
Herkennen: NAAM in vraag 

* Alleen kijken naar info die expert zegt in de alinea. 
*Andere info uit meerkeuzevragen mogelijk in tekst, maar slaan niet op citaat van expert. 





Kijk tussen de aanhalingstekens
"..... " 
<<.....>>

Slide 11 - Tekstslide

Voorbeeld:

Zien dat er een voorbeeld staat: 
Gatenvraag op signaalwoorden

Schrijver gebruikt een voorbeeld om zijn zin te vermakkelijken. Voorbeeld komt vaak na een moeilijk stuk tekst --> voorbeeld goed lezen! 







Voorbeeld in tekst vaak:  
Así que ...'

in (meerkeuze) antwoord vaak: 
'Por ejemplo ...'
Verband / Hoe verhoudt zich deze zin tot..
* Ilustrar / Ilustra (Ilustreert)
* Mostrar / Muestra (Laat zien)
* Apoyar / Apoya (Ondersteunt)
* Concretizar / Concretiza (Concretiseert)
* Precisar / Precisa (Precies omschrijven)

Slide 12 - Tekstslide

Voorbeeld:

Herkennen:
* Namen
* Plaatsen (Niet alleen steden, maar alles wat je op Google Maps kan vinden)
* Getallen
* %
* Data (datum) --> exacte data of verborgen data ('op een dag' / 'onlangs')







Slide 13 - Tekstslide

Omgekeerde voorbeeldvraag:

Voorbeeld wordt gegeven en er wordt gevraagd: 
Dit is het voorbeeld. Wat wil de schrijver met dit voorbeeld laten zien?  / Waarom noemt de schrijver [voorbeeldkenmerk]? 









Truc 1: 
- Antwoord moet grote lijn zijn (over het algemene onderwerp van de tekst)

Truc 2:
- Schrap alle antwoorden met voorbeeldkenmerken (zoals data, namen, getallen en percentages etc.)

Slide 14 - Tekstslide

Omgekeerde voorbeeldvraag:

Voorbeeld van omgekeerde voorbeeldvraag: 

¿Qué quiere ilustrar el autor con este ejemplo?

A. Que las zapatillas de lana merina se venden mejor que otros modelos del mercado
B. Que Yuccs está creciendo rápidamente gracias a sus ventas, innovación y estrategia comercial
C. Que vender 10 000 pares en un día es algo habitual en muchas marcas españolas
D. Que abrir tiendas físicas es más importante que vender online para tener éxito







Slide 15 - Tekstslide

Beweringsvraag:

Meest gedetailleerde vraag in examen. Dit type vraag:

* is genummerd

* is de enige type vraag waar je eerst de antwoorden van de vraag leest voor het lezen van de tekst 

* bevat terugkomende woorden die als nuttige info kunnen dienen 









Slide 16 - Tekstslide

Beweringsvraag:
Bewering = korte samenvatting  
Tekst = gedetailleerde info 

* In bewering = combinatie van theatervormen
* In tekst = opsomming van theatervormen --> Let op de signaalwoorden voor opsomming! Bij signaalwoorden staan vaak antwoorden.

Slim gokken bij geen idee:
- Zijn er woorden in bewering die antwoord fout maken?
- Past het niet in de grote lijn? 










In bewering: 
- (Alleen / Meer / Beter --> Solo / Más / Mejor)--> statistisch gezien dat het 95% kans is dat het fout is 

Slide 17 - Tekstslide

Beweringsvraag:
Per bewering --> zoeken in tekst met behulp van slimme zoektermen: 
* Namen en plaatsen (leer dat EE.UU. = VS)
* Tijdsaanduidingen (vandaag de dag + info) = wel met goede tijdsaanduiding
* Internationale woorden 
* Cijfer in getal kunnen uitdrukken (letterlijk, maar ook in woorden --> meerderheid / op jonge leeftijd etc.)
        * meestal getallen onder de 10 in woorden / soms ook                   tussen 10 en 20

Zijn er geen slimme zoektermen dan woorden zoeken die je herkent. 








Slide 18 - Tekstslide

Basisstappenplan met ABCD vragen

1) Titel + plaatje + intro = grote lijn 








Slide 19 - Tekstslide

Basisstappenplan met ABCD vragen

2) Lees de vraag en streep in de tekst om welke alinea(s) of zin het gaat. 
- Kijk nu of er nuttige informatie in de vraag staat. 
Nuttig = zegt iets voor over de inhoud van de tekst of zegt wat je precies moet zoeken. 

Wat willen ze weten? Wat voor soort vraag is het? Introductie, (tegen)argumenten, experts, voorbeeld, beweringen of gatenvraag?








Slide 20 - Tekstslide

Basisstappenplan met ABCD vragen

3) Lees de tekst, streep signaalwoorden en : aan








Slide 21 - Tekstslide

Basisstappenplan met ABCD vragen

4) Pindakaas-antwoorden eruit! (Horen niet bij tekst)

5) Hoe vaak komt het antwoord voor?
Staat het maar 1x in de tekst --> niet echt sterk punt

Kloppen alle elementen?
Een deel van het antwoord fout --> helemaal fout

Past het in de grote lijn? Positieve alinea = positief antwoord en hetzelfde bij negatief. Grote lijn --> bekijk titel en plaatje







Slide 22 - Tekstslide

Bijzonder geval bij de ABCD vragen:

Een speciale ABCD-vraag, de enige waarbij we ook de antwoorden eerst lezen: 
- Welk element staat wel / niet in de alinea? 
- Welke vraag wordt wel / niet beantwoord? 

Hier lezen we wel eerst de antwoorden. Denk nu bij iedere vraag / ieder element logisch na: als dit element / antwoord in de tekst staat, wat wil ik dan zien?

Probeer dat te formuleren in slimme zoektermen. 











Slide 23 - Tekstslide

Woorden die CITO antwoorden fout kunnen maken:
- Versterkt antwoord op informatie uit de tekst (altijd ipv soms / vaak)
- Volgende woorden in tekst normaal, maar in antwoord 95% kans fout te zijn: 

- siempre / solo / solamente / más / la más / lo más (geven geen nuance aan (zijn te vaag)









Slide 24 - Tekstslide

Woorden die CITO antwoorden fout kunnen maken:

- cada vez más / cada vez menos / aumenta / creciente / disminuye (woorden voor stijgen / dalen)










Slide 25 - Tekstslide

Woorden die CITO antwoorden fout kunnen maken:

- más ... que, sobre todo, preferir  (er zijn twee dingen, tekst zegt X EN Y, antwoord zegt X meer dan Y)










Slide 26 - Tekstslide

Woorden die CITO antwoorden fout kunnen maken:

SPECIAAL GEVAL: 

- aclara cómo, la razón por la cual, explicar porque (WAAROM in antwoord. Het feit dat doorgaans wel in de tekst, maar de reden waarom staat er niet).











Slide 27 - Tekstslide

2 andere manieren om foute antwoorden te herkennen:

1. Een positief antwoord bij een negatieve alinea, of omgekeerd

2. Een alinea bevat een opsomming, van wat dan ook, en je moet een punt maken over de hele alinea. Ze geven dan foute antwoorden die maar op 1 deel van die opsomming slaan. Een goed antwoord slaat op de hele opsomming. 











Slide 28 - Tekstslide