6. demostrativos / reflexivos

1 / 22
volgende
Slide 1: Link
SpaansMiddelbare schoolvmbo tLeerjaar 1

In deze les zitten 22 slides, met interactieve quiz, tekstslides en 2 videos.

Onderdelen in deze les

Slide 1 - Link

Deze slide heeft geen instructies

Slide 2 - Video

Deze slide heeft geen instructies

cuelga la chaqueta
los auriculares en la mochila
El teléfono en la bolsa/mochila
tengo el material escolar preparado
tengo el laptop en la mesa CERRADO
la bolsa en el suelo

Slide 3 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 4 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

PTA: TOETS
VRAAGWOORDEN
LIDWOORDEN + CONCORDANTIE (sustantivos/adjetivos)
------------------------------
VERVOEGEN (verbos regulares, irregulares, reflexivos, ser, estar)
GEBRUIK SER-ESTAR- HAY
-----------------------------
Pretérito Perfecto = afgerond / huiswerk
Imperfecto
Demostrativos
Interrogativos


Slide 5 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

cuelga la chaqueta
los auriculares en la mochila
El teléfono en la bolsa/mochila
tengo el material escolar preparado
tengo el laptop en la mesa CERRADO
la bolsa en el suelo

Slide 6 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 7 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

finestra: 4 achter elkaar
o o o o
o o    o o
o o.   o o
o o    o o
o o.   

Slide 8 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

PTA: TOETS
VRAAGWOORDEN
LIDWOORDEN + CONCORDANTIE (sustantivos/adjetivos)
------------------------------
VERVOEGEN (verbos regulares, irregulares, reflexivos, ser, estar)
GEBRUIK SER-ESTAR- HAY
-----------------------------
Pretérito Perfecto = afgerond / huiswerk + vraagwoorden <--
Imperfecto
Demostrativos
Interrogativos


Slide 9 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

VANDAAG DOEN WE...
1. vraagwoorden: interrogativos
2. recap lidwoord naar demonstrativos
3. therie
4. oefenen
4. GEBRUIK + ezelsbrug
5. SER/ESTAR spelen

Slide 10 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

De vraagwoorden. Sleep ze naar elkaar toe!
Hoe?
Wat?
Wie?
Wanneer?
Waar?
Hoeveel?
Waarom?
¿Cómo?
¿Qué?
¿Quién(es)?
¿Cuándo?
¿Dónde?
¿Cuánto?
¿Por qué?

Slide 11 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

'
'
'
'
'
'
'
'
¿De dónde?

¿Cuánto?

Slide 12 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

-o woorden
-a woorden
enkelv
EL 
LA
meerv
LOS
LAS
LIDWOORDEN 
-o woorden
-a woorden
enkelv
UN
UNA
meerv
UNOS
UNAS

Slide 13 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

-o woorden
-a woorden
enkelv
ESTE
meerv
-o woorden
-a woorden
enkelv
ESE
meerv
-o woorden
-a woorden
enkelv
meerv
AQUELLOS

Slide 14 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Los demostrativos
  • Dichtbij (hier, bij mij)
-> aquí 


  • Verder weg (daar,
bij jou) -> ahí


  • Nog verder weg (daar,
    ver weg van beiden
    -> allí
Aanwijzende voornaamwoorden
DEZE, DIT
mannelijk
vrouwelijk
enkelvoud
este 
esta
meervoud
estos
estas
DIE, DAT
mannelijk
vrouwelijk
enkelvoud
ese
esa
meervoud
esos
esas
DIE, DAT
mannelijk
vrouwelijk
enkelvoud
aquel
aquella
meervoud
aquellos
aquellas

Slide 15 - Tekstslide

Demostrativos dus in drie groepen op te delen; afhankelijk van de afstand, hoe ver/dichtbij. 

Voorbeelden: 
- Dichtbij, bij mij -> esta chica está sentada en una silla 
- Iets verder weg, bij jou -> ese libro está sobre la mesa 
- Nog verder weg, van beiden -> aquel árbol es muy grande

Slide 16 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

VANDAAG DOEN WE...
1. vraagwoorden: interrogativos
2. recap lidwoord naar demonstrativos
3. therie
4. oefenen
4. GEBRUIK + ezelsbrug
5. SER/ESTAR spelen

Slide 17 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 18 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Slide 19 - Link

Deze slide heeft geen instructies

VANDAAG DOEN WE...
1 recap lidwoord: demonstrativos
2. HABER = HAY
3. onregelmatige: SER - ESTAR
4. GEBRUIK + ezelsbrug
5. SER/ESTAR spelen

Slide 20 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

DEBERES - HUISWERK
vragen met de pretérito perfecto

Slide 21 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies



  1. ¿Dónde has ido de vacaciones este verano? ¿Qué has hecho?
  2. ¿A qué país/países has viajado en el extranjero? ¿Cómo has viajado? ¿Dónde te has quedado? ¿Qué te ha(n) parecido? ¿Qué te ha gustado más?
  3. ¿Con quién prefieres ir de vacaciones con tu familia o con tus amigos? ¿Por qué? 
  4. ¿Has probado una comida rara o diferente?¿Cuál?
  5. ¿Has visto a alguien famoso alguna vez? ¿quién? ¿Dónde? ¿Cuándo? ¿Cómo? - zo niet, verzin je antwoord
  6. ¿Cuál es tu prenda de ropa favorita? Descríbela
  7. ¿Cuándo te has enfadado por última vez? ¿Con quién? ¿Por qué?







  1. Waar ben je deze zomer op vakantie geweest? Wat heb je gedaan?
  2. Naar welk(e) land(en) ben je in het buitenland gereisd
  3. Hoe heb je gereisd? Waar ben je verbleven? Wat vond je ervan? Wat vond je het leukst?
  4. Met wie ga je liever op vakantie, met je familie of met je vrienden? Waarom?
  5. Heb je een vreemd of ander soort gerecht geprobeerd?Welk?
  6. Heb je ooit een beroemd persoon gezien? Wie? Waar? Wanneer? Hoe? – zo niet, verzin je antwoord
  7. Wat is je favoriete kledingstuk? Beschrijf het
  8. Wanneer ben je voor het laatst boos geworden? Op wie? Waarom?

Slide 22 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies