Catullus

Catullus en Martialis

V5 LTC

1 / 200
volgende
Slide 1: Slide
newEditorLatijnVoortgezet speciaal onderwijsLeerroute 5

In deze les zitten 200 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

Catullus en Martialis

V5 LTC

Deze slide heeft geen instructies

Les- en leerdoelen:

Aan het einde van de les...


  • weet je wie Catullus was en kun je enkele gegevens over zijn leven/werk/genre vertellen.

  • ken je 5 stijlfiguren: metafoor, hyperbaton, metonymia, anafoor en asyndeton

  • heb je gedicht 1 vertaald en ben je in gedicht 2 al minimaal bij regel 5

Deze slide heeft geen instructies

Catullus: liefde, spot en vernieuwing

Open met Catullus als dichter die tegelijk persoonlijk, scherp en literair vernieuwend is. Zijn gedichten laten goed zien dat Latijnse poëzie niet alleen 'plechtig' of 'episch' is.

Leerdoel

Ik kan uitleggen wie Catullus was, wat kenmerkend is voor zijn leven en werk, en hoe hij past bij de poetae novi, de elegie en de figuur Lesbia.

Deze slide heeft geen instructies

Catullus in tijd en plaats

  • Volledige naam: Gaius Valerius Catullus

  • Geboren rond 84 (?) v.Chr. in Verona

  • Gestorven rond 54 v.Chr.

  • Leefde in de late Romeinse Republiek

  • Schreef in een periode van politieke spanning, maar zijn poëzie is vaak juist persoonlijk en literair verfijnd

De jaartallen zijn benaderingen; absolute zekerheid ontbreekt. Benadruk dat Catullus jong stierf en toch grote invloed had.

Afkomst en omgeving

  • Afkomstig uit een welgestelde familie in Verona

  • Had toegang tot onderwijs en elitekringen

  • Verbleef later in Rome, het centrum van cultuur en politiek

  • Bewoog zich in een netwerk van vrienden, dichters en invloedrijke personen

Leg uit dat zijn sociale positie belangrijk was: daardoor kon hij deelnemen aan literaire kringen en zich richten op verfijnde poëzie.

Leven en carrière

Catullus had geen carrière als groot staatsman of veldheer. Zijn naam bleef vooral leven door zijn dichterschap. In zijn gedichten komen vriendschap, liefde, jaloezie, belediging, verdriet en stijlbewustzijn samen. Daardoor krijgen we een zeldzaam direct beeld van een individuele stem uit de Romeinse literatuur.

Benadruk het contrast met veel andere beroemde Romeinen: Catullus is vooral belangrijk als dichter, niet als politieke figuur.

Een dichter met een eigen stem

  • Schrijft vaak in de ik-vorm

  • Wisselt tedere en agressieve toon af

  • Gebruikt korte, krachtige formuleringen

  • Maakt poëzie persoonlijk én literair uitgewerkt

Hier kun je toelichten dat het 'ik' in poëzie niet altijd simpelweg de historische persoon is, maar wel een geconstrueerde dichterlijke stem.

Overgeleverde werken

  • Van Catullus zijn 116 gedichten overgeleverd

  • Ze verschillen sterk in lengte en toon

  • Er zijn korte gelegenheidsgedichten, spotgedichten en langere, meer uitgewerkte teksten

  • Zijn oeuvre toont zowel emotionele directheid als technische beheersing

Gebruik consequent '116 gedichten' als het corpus dat is overgeleverd. Je hoeft niet in te gaan op tekstoverlevering, tenzij de klas daar klaar voor is.

Soorten gedichten bij Catullus

Korte gedichten

Langere gedichten

  • Liefde en verlangen

  • Spot en scheldpoëzie

  • Vriendschap en sociale omgang

  • Snel, scherp, persoonlijk

  • Meer literaire uitwerking

  • Mythologische of plechtiger stof

  • Meer nadruk op compositie

  • Laat zijn veelzijdigheid zien

Noem eventueel dat Catullus zowel speelse als geleerde poëzie schrijft. Zo voorkom je dat leerlingen hem alleen met liefdesgedichten associëren.

De poetae novi / neoteroi

De poetae novi of neoteroi waren een groep vernieuwende Romeinse dichters. Zij keerden zich af van zwaar, traditioneel en breed uitgesponnen werk en kozen juist voor korte, verzorgde, geleerde en kunstige poëzie. Niet grootse nationale roem, maar vorm, verfijning en originaliteit stonden centraal.

Leg uit dat beide termen voor ongeveer dezelfde literaire stroming worden gebruikt. De Griekse invloed is hier belangrijk.

Wat maakt deze stroming nieuw?

  • Voorkeur voor kleine literaire vormen

  • Veel aandacht voor stijl en woordkeuze

  • Invloed van Alexandrijnse, Griekse poëzie --> poeta doctus

  • Geleerd spel met mythen en literatuur

Noem Callimachus eventueel als achtergrondfiguur van de Alexandrijnse poëtica, zonder te diep uit te weiden.

Catullus als poeta novus

  • Verkiest verfijning boven grootsheid

  • Combineert emotie met vormbewustzijn

  • Schrijft over privéleven (vernieuwend!!!)

  • Laat zien dat korte poëzie literair even ambitieus kan zijn als epos

Maak hier de koppeling terug naar de centrale vraag: Catullus is belangrijk omdat hij een nieuwe poëtische houding vertegenwoordigt.

Het genre elegie

  • Elegie is poëzie over liefde, verlangen, verdriet en persoonlijke ervaring

  • Het genre kan ook klagen, herinneren en reflecteren

  • De toon is vaak intiemer dan in epische poëzie

  • Bij Romeinse dichters wordt de liefde vaak een centraal literair onderwerp

Werk hier niet te technisch uit over metrum, tenzij gewenst. De les vraagt vooral om inhoudelijke situering van het genre.

Lesbia

  • Lesbia is de naam waaronder Catullus een geliefde bezingt

  • Waarschijnlijk gaat het om een schuilnaam

  • In de traditie wordt zij vaak met Clodia in verband gebracht

  • Lesbia is tegelijk een persoon in de poëzie en een literair gevormde figuur

Benadruk voorzichtig dat identificatie met Clodia waarschijnlijk is, maar niet absoluut bewezen. Belangrijker is Lesbia als poëtische constructie.

Begrippenlijst

Catullus - Romeinse dichter uit de late Republiek, geboren rond 84 v.Chr. en gestorven rond 54 v.Chr.

Verona - Noord-Italiaanse stad waar Catullus vandaan kwam.

late Romeinse Republiek - Periode van politieke onrust vóór het keizerrijk.

poetae novi - Vernieuwende Romeinse dichters met voorkeur voor korte, verfijnde poëzie.

neoteroi - Griekse benaming voor dezelfde vernieuwende richting als de poetae novi.

elegie - Poëtisch genre waarin liefde, verdriet en persoonlijke ervaring centraal kunnen staan.


Deze slide heeft geen instructies

Begrippenlijst

Lesbia - Schuilnaam van de geliefde die in veel gedichten van Catullus voorkomt.

Clodia - Romeinse vrouw met wie Lesbia vaak wordt geïdentificeerd.

Alexandrijnse poëzie - Geleerde, verfijnde Griekse poëzie die veel invloed had op de poetae novi.

oeuvre - Het geheel van iemands werken.

spotgedicht - Gedicht waarin een persoon scherp wordt aangevallen of belachelijk gemaakt.

liefdespoëzie - Poëzie waarin liefde en verlangen belangrijke thema's zijn.

Deze slide heeft geen instructies

Stilistische middelen in het Latijn

Open met het idee dat stijlmiddelen niet alleen versiering zijn, maar betekenis en nadruk sturen. Deze les focust op herkenning en korte uitleg met voorbeelden in beide talen.

Lesdoel

Ik kan hyperbaton, anafoor, metonymia, metafoor en asyndeton herkennen, kort uitleggen en illustreren met een voorbeeld in het Nederlands en in het Latijn.

Deze slide heeft geen instructies

Hyperbaton

Bij hyperbaton horen woorden die grammaticaal bij elkaar horen, maar staan ze uit elkaar in de zin.


Dat trekt aandacht en kan nadruk, spanning of een plechtige toon geven.


In het Latijn komt dit vaak voor bij een bijvoeglijk naamwoord en het zelfstandig naamwoord waarbij het hoort.

Benadruk dat leerlingen eerst de grammaticale samenhang moeten zien en pas daarna de woordvolgorde beoordelen. In Latijnse teksten is afwijkende woordplaatsing vaak betekenisvol.

Hyperbaton: voorbeelden

Latijn

Nederlands

Gouden lag de ring op tafel, glanzend in het licht.


Het woord gouden wordt losgetrokken van ring voor extra nadruk.

Ante volat comitique timet velut ales ab alto

quae teneram prolem produxit in aera nido.

 Hij vliegt voorop en hij is bezorgd voor zijn metgezel, zoals een vogel die zijn      tere jong uit het hoge nest laat vliegen.                                  Ovidius, Met. 8.213-14

 

‘Aeternum stago’, dixit ‘vivatis in isto.’

 Hij zei: ‘Mogen jullie voor eeuwig leven in die poel.’                Ovidius, Met. 6.369


aurea en fibula horen bij elkaar, maar staan uit elkaar: dat is hyperbaton.

Je kunt toelichten dat dit voorbeeld uit de poëzie een sierlijke en opvallende woordschikking laat zien. Het gaat hier vooral om het herkennen van gescheiden woorden die syntactisch samen horen.

Effect van hyperbaton

  • legt nadruk op een woord of beeld

  • maakt de zin kunstiger of plechtiger

  • kan spanning opbouwen doordat samenhang later duidelijk wordt

Deze slide heeft geen instructies

Anafoor

Bij anafoor wordt hetzelfde woord of dezelfde woordgroep aan het begin van opeenvolgende zinnen of zinsdelen herhaald.


Die herhaling zorgt voor ritme en sterke nadruk.

Wijs erop dat het specifiek gaat om herhaling aan het begin. Dat onderscheidt anafoor van algemene herhaling elders in de zin.

Anafoor: voorbeelden

Nihil agis, nihil moliris, nihil cogitas.

Cicero


De herhaling van nihil aan het begin geeft extra nadruk.


ille mi par esse deo videtur,

ille, si fase st, superare divos

hij lijkt mij gelijk te zijn aan een god

hij (lijkt mij), als men dit mag zeggen, de goden te overtreffen

Catullus, Carmen 51.1-2

Wij willen leren, wij willen groeien, wij willen winnen.


De herhaling van wij aan het begin vormt de anafoor.

Latijn

Nederlands

Laat zien dat de inhoud door de herhaling dwingender klinkt. De Latijnse voorbeeldzin sluit goed aan bij retorische stijl.

Effect van anafoor

  • geeft ritme aan een tekst

  • versterkt een argument of emotie

  • maakt een passage makkelijker te onthouden

Deze slide heeft geen instructies

Metonymia

Bij metonymia vervang je een woord door een ander woord dat er nauw mee verbonden is.


Je noemt dus niet het eigenlijke begrip, maar iets dat ermee samenhangt, zoals maker en werk, plaats en bestuur, of voorwerp en inhoud.


  • Abstractum pro concreto

  • Pars pro toto

Benadruk het verschil met metafoor: bij metonymia is er een reële relatie of nabijheid, niet alleen gelijkenis.

Metonymia: voorbeelden

Nederlands

quaerenti et tectis urbis sine fine ruenti

zoekend en eindeloos door de daken (= huizen) van de stad stormend     Vergilius, Aeneis 2.771



Ik lees graag Multatuli.


Hier staat de naam van de schrijver voor zijn werk.

Latijn

Je kunt extra toelichten dat godennamen in Latijnse poëzie vaak metonymisch gebruikt worden: Mars voor oorlog, Ceres voor graan, Bacchus voor wijn.

Metonymia herkennen

Vraag bij metonymia steeds:


  • welk woord staat er letterlijk?

  • waarvoor staat het eigenlijk?

  • welke concrete band is er tussen die twee?


Zonder zo'n band is het meestal geen metonymia.

Deze slide heeft geen instructies

Metafoor

Bij een metafoor wordt iets niet letterlijk benoemd, maar beeldend vergeleken met iets anders.


De vergelijking wordt niet met als of zoals uitgesproken: het beeld vervangt direct het gewone woord.

Maak hier het contrast met metonymia expliciet: metafoor berust op overeenkomst, metonymia op samenhang of nabijheid.

Metafoor: voorbeelden

Vita est navigatio.


Het leven wordt beeldend voorgesteld als een reis over zee.

Latijn

Nederlands

De stad is een mierenhoop.


De drukte van de stad wordt voorgesteld als een mierenhoop.

Leg uit dat de letterlijke waarheid hier niet klopt, maar dat het beeld betekenis toevoegt. Dat is precies de kracht van de metafoor.

Metafoor en metonymia

  • metafoor: berust op gelijkenis

  • metonymia: berust op verwantschap of nabijheid

  • beide vervangen een letterlijk woord, maar doen dat op een andere manier

Dit onderscheid is vaak lastig. Gebruik eventueel extra mini-voorbeelden mondeling: 'de kroon beslist' = metonymia, 'de tijd vliegt' = metafoor.

Asyndeton

Bij asyndeton worden voegwoorden tussen woorden, zinsdelen of zinnen weggelaten.


Daardoor klinkt een opsomming sneller, krachtiger of feller.

Wijs erop dat leerlingen vaak juist moeten letten op wat ontbreekt: geen 'en', 'of' of Latijns 'et' tussen de delen.

Asyndeton: voorbeelden

Latijn

Veni, vidi, vici.


De afwezigheid van voegwoorden maakt de zin kort en krachtig.

Nederlands

Hij kwam, hij zag, hij overwon.


De delen volgen snel op elkaar zonder voegwoord.

Dit is het bekendste voorbeeld. Benoem dat de vorm de snelheid van de overwinning ondersteunt.

Effect van asyndeton

  • versnelt het tempo

  • maakt een opsomming kernachtig

  • geeft vaak een krachtige retorische toon

Deze slide heeft geen instructies

Overzicht

  • hyperbaton: woorden die bij elkaar horen, staan uit elkaar

  • anafoor: herhaling aan het begin

  • metonymia: vervanging op basis van verwantschap

  • metafoor: beeldspraak op basis van gelijkenis

  • asyndeton: voegwoorden worden weggelaten

Deze samenvatting helpt om de vijf begrippen nog één keer scherp naast elkaar te zetten.

Begrippenlijst

hyperbaton - woorden die grammaticaal bij elkaar horen, staan uit elkaar in de zin

anafoor - herhaling van een woord of woordgroep aan het begin van opeenvolgende zinsdelen

metonymia - vervanging van een woord door een nauw verwant begrip

metafoor - beeldende vervanging op basis van gelijkenis

asyndeton - het weglaten van voegwoorden in een opsomming of reeks

Deze slide heeft geen instructies

1.  Het musje (2)

Passer, deliciae meae puellae,

quicum ludere, quem in sinu tenere,

cui primum digitum dare appetenti

et acris solet incitare morsus,

cum desiderio meo nitenti

carum nescio quid lubet iocari,

et solaciolum sui doloris,

credo, ut tum gravis acquiescat ardor:

tecum ludere sicut ipsa possem

et tristis animi levare curas!


Deze slide heeft geen instructies

Les- en leerdoelen:

Aan het einde van de les...


  • weet je wie Catullus was en kun je enkele gegevens over zijn leven/werk/genre vertellen.

  • ken je 5 stijlfiguren: metafoor, hyperbaton, metonymia, anafoor en asyndeton

  • heb je gedicht 1 vertaald en ben je in gedicht 2 al minimaal bij regel 5

Deze slide heeft geen instructies

Wat is het kernkenmerk van hyperbaton?

A

Herhaling vooraan

B

Woorden uit elkaar

C

Beeldende vervanging

D

Voegwoorden weg

De afleiders verwijzen naar anafoor, metafoor/metonymia en asyndeton. Laat leerlingen benoemen welke woorden in een zin grammaticaal bij elkaar horen.

Waarop berust metonymia?

A

Klankovereenkomst

B

Nabijheid of band

C

Herhaling van woorden

D

Weglating van et

Laat leerlingen het verschil met metafoor expliciet maken: metonymia heeft een reële relatie tussen woord en bedoeld begrip.

Welke zin bevat een metafoor?

A

Ik lees graag Multatuli

B

De stad is een mierenhoop

C

Nihil agis, nihil moliris

D

Veni, vidi, vici

Afleiders komen allemaal uit behandelde voorbeelden van andere stijlmiddelen. Zo test je begripsverschil, niet alleen definitiereproductie.

Welk stilistisch middel? Vul de juiste woorden in!

Bij asyndeton worden voegwoorden weggelaten. Daardoor klinkt een opsomming sneller en vaak ook krachtiger.

asyndeton
voegwoorden
sneller
anafoor
beeldspraak
uit elkaar
verwant

De tekst sluit direct aan op slides 14 tot en met 16.

De vorige les

Aan het einde van de vorige les kon je....


  • informatie geven over de auteur Catullus, zijn leven, werk en genre.

  • 5 stijlfiguren (metafoor, hyperbaton, metonymia, anafoor en asyndeton) herkennen, benoemen en uitleggen.

Deze slide heeft geen instructies

Deze les: de les- en leerdoelen:

Aan het einde van deze les...


  • kun je je vertaalfouten aanwijzen en verklaren

  • begrijp je gedicht 1 en 2 inhoudelijk

  • ken je 5 nieuwe stijlfiguren: polysyndeton, tricolon, climax, antithese, retorische vraag

  • heb je gedicht 3 vertaald.

Deze slide heeft geen instructies

Wanneer spreek je van anafoor?

A

Woordherhaling vooraan

B

Zelfst. naamwoord gesplitst

C

Verwante vervanging

D

Opsomming zonder beeld

Controleer vooral dat leerlingen het woord 'aan het begin' meenemen; dat onderscheidt anafoor van algemene herhaling.

Herken hyperbaton

Bij hyperbaton staan woorden die grammaticaal bij elkaar horen uit elkaar in de zin. Dat kan nadruk geven en de woordvolgorde opvallend maken.

hyperbaton
uit elkaar
nadruk
anafoor
vooraan
ritme
asyndeton

Alle drie de ingevulde woorden zijn rechtstreeks gekoppeld aan de uitleg en het effect op de vorige slides.

Wat is typisch voor asyndeton?

A

Herhaalde beginwoorden

B

Beeldende vergelijking

C

Gescheiden woordparen

D

Geen voegwoorden

Controleer of leerlingen niet alleen het voorbeeld kennen, maar ook het structurele kenmerk herkennen.

Welk effect heeft anafoor op een tekst?

Verwachte elementen: anafoor zorgt voor ritme, nadruk, emotionele of argumentatieve versterking en maakt een passage makkelijker te onthouden.

Metonymia samengevat

Bij metonymia vervang je een woord door een verwant begrip dat er nauw mee samenhangt. De relatie kan gaan om maker en werk of om plaats en bestuur.

metonymia
verwant begrip
maker en werk
metafoor
gelijkenis
voegwoord
beginherhaling

De blanks echoën de formuleringen van slides 8 en 10.

Wat onderscheidt metafoor van metonymia?

A

Metafoor is letterlijker

B

Metafoor gebruikt gelijkenis

C

Metafoor herhaalt beginwoorden

D

Metafoor laat voegwoorden weg

De kern uit de inhoudsslides is het contrast gelijkenis versus verwantschap/nabijheid.

Waardoor is Catullus vooral beroemd geworden?

A

Als dichter

B

Als veldheer

C

Als redenaar

D

Als consul

Sluit aan op de slides over leven en carrière: Catullus onderscheidt zich niet als politieke of militaire figuur, maar door zijn dichterschap.

Wat stond bij de poetae novi centraal?

A

Nationale roem

B

Verfijnde vorm

C

Militaire helden

D

Lange epen

De distractors grijpen terug op traditionele verwachtingen van Romeinse literatuur; juist daartegen zetten de poetae novi zich af.

Wat weet je nog meer over Catullus dat nog niet genoemd is?

Reflectie op het leerproces; laat leerlingen benoemen wat inhoudelijk het meest is blijven hangen, bijvoorbeeld poetae novi, Lesbia of Catullus' eigen stem.

Voorkennis: wat zijn stijlfiguren?

Stijlfiguren zijn bewuste manieren om taal opvallender en krachtiger te maken.


In het Latijn helpen ze om:

  • nadruk te leggen

  • contrast te tonen

  • ritme op te bouwen

  • een publiek te overtuigen

Benadruk dat leerlingen bij Latijn niet alleen naar woordbetekenis kijken, maar ook naar formulering en effect.

Waarom gebruikt een auteur ze?

Een schrijver of redenaar kiest stijlfiguren om een tekst meer effect te geven.


Ze kunnen iets scherper, mooier of overtuigender laten klinken.

Leg de link met redevoeringen, historiografie en poëzie: in al die genres is formulering betekenisvol.

Antithese

Een antithese is een scherpe tegenstelling tussen twee woorden, woordgroepen of ideeën. De twee elementen staan dichtbij elkaar geplaatst in de zin.


Effect:

  • benadrukt een contrast

  • maakt een uitspraak kernachtig

  • laat twee kanten direct botsen

Laat zien dat het niet alleen om losse tegengestelde woorden gaat, maar om een betekenisvol contrast in de zin.

Antithese: voorbeelden

Non scholae, sed vitae discimus.


Tegenstelling tussen scholae en vitae.


alieni adpetens, sui profusus

belust op andermans vermogen, verkwistend met zijn eigen vermogen Sallustius, De coniuratione Catilinae 5

Hij sprak weinig, maar zei veel.


Tegenstelling tussen weinig en veel versterkt de boodschap.


Die twee zijn als water en vuur.

Latijn

Nederlands

Je kunt benoemen dat antithese vaak samenwerkt met parallelle zinsbouw, maar houd de focus op het contrast zelf.

Climax

Een climax is een reeks van tenminste 3 woorden of gedachten die in kracht of intensiteit (qua inhoud) toeneemt.


Effect:

  • bouwt spanning op

  • werkt naar een hoogtepunt toe

  • maakt de uitspraak dramatischer

Benadruk dat de volgorde essentieel is: elk element moet sterker zijn dan het vorige.

Climax: voorbeelden

Latijn

Veni, vidi, vici.


De reeks werkt naar de beslissende overwinning toe.


Hic sunt (…) qui de nostro omnium interitu, qui de huius urbis atque adeo de orbis terrarum exitio cogitent.

Hier bevinden zich (...) degenen die zinnen op de dood van ons allen, op de ondergang van deze stad, ja, van de hele wereld.                  Cicero, Oratio in Catilinam 1.9


Nederlands

Hij fluisterde, sprak, schreeuwde.


De uiting wordt stap voor stap sterker.


Uren, dagen, maanden, jaren,

vliegen als een schaduw heen                 Rhijnvis Feith, Nieuwjaarslied

Bij het Latijnse voorbeeld kun je bespreken dat de drie werkwoorden niet alleen een reeks vormen, maar ook een sterke voortgang in handeling laten zien.

Tricolon

Een tricolon is een opsomming van drie delen (woorden, woordgroepen of zinsdelen).


Effect:

  • geeft ritme

  • maakt een formulering compleet

  • klinkt afgerond en memorabel

Wijs erop dat 'drie' hier de kern is; niet elke opsomming is dus een tricolon.

Tricolon: voorbeelden

Nederlands

Adfuit ille quidem, sed nec sollemnia verba

nec laetos vultus nec felix attulit omen.


Hij verscheen wel, maar noch feestelijke woorden, noch een vrolijk gezicht, noch een gelukwens bracht hij mee.                                 

Ovidius, Metamorphoses 10.4-5



Latijn

Hij kwam, hij zag, hij won.


Drie parallelle delen vormen een krachtig geheel.

Het Latijnse voorbeeld laat de nadruk op een driedelige structuur zien; bespreek eventueel dat tricolon vaak samen kan gaan met andere middelen.

Climax en tricolon

Deze twee stijlfiguren lijken op elkaar, maar zijn niet hetzelfde.


  • Tricolon: vooral een reeks van drie

  • Climax: vooral een opbouw naar sterker effect

  • Eén voorbeeld kan beide zijn

Gebruik 'veni, vidi, vici' als voorbeeld dat vaak tegelijk als tricolon én als climax gelezen wordt.

Polysyndeton

Een polysyndeton is een opsomming van twee of meer tekstelementen binnen een zin die met elkaar verbonden zijn door evenveel nevenschikkende voegwoorden. Bij drie of meer tekstelementen kan bij het eerste

tekstelement het voegwoord ontbreken.


Effect:

  • vertraagt het tempo

  • legt nadruk op elk onderdeel

  • geeft een plechtige of zware toon

Noem dat het vaak om herhaling van 'et' of '-que' gaat in het Latijn.

Polysyndeton: voorbeelden

Latijn

En hij liep en hij riep en hij huilde.


Door en telkens te herhalen krijgt elk deel extra nadruk.


Die zorgt en waakt en slaaft en ploegt en zwoegt en zweet

Joost van den Vondel, Palamedes

Et pater et mater et filius adsunt.


De herhaling van et maakt de opsomming nadrukkelijk.


Laudat digitosque manusque

bacchiaque et nudos media plus parte lacertos.         

Hij prijst haar vingers en haar handen en haar onderarmen en haar voor meer dan de helft ontblote bovenarmen.                                  Ovidius, Met. 1.500-01

Nederlands

Laat leerlingen het verschil horen tussen een gewone opsomming en een polysyndeton; het effect zit sterk in ritme.

Retorische vraag

Een retorische vraag is een vraag waarop geen echt antwoord wordt verwacht.


Effect:

  • stuurt het publiek

  • maakt verontwaardiging of verbazing sterker

  • presenteert een standpunt als vanzelfsprekend

Benadruk dat de vorm een vraag is, maar de functie een krachtige uitspraak blijft.

Retorische vraag: voorbeelden

Quo usque tandem abutere, Catilina, patientia nostra?

Hoe lang nog, Catilina, zul jij misbruik maken van ons geduld?                                              Cicero, Oratio in Catilinam 1.1


De vraag drukt vooral verwijt en verontwaardiging uit.

Latijn

Wie wil er nu onrecht verdedigen?


De spreker verwacht geen echt antwoord.

Nederlands

Dit beroemde Cicero-voorbeeld werkt goed om de politieke en emotionele kracht van de retorische vraag te laten zien.

Begrippenlijst

antithese - scherpe tegenstelling tussen twee woorden of ideeën

climax - reeks met toenemende kracht of intensiteit

tricolon - groep van drie parallelle delen

polysyndeton - opsomming met herhaling van voegwoorden

retorische vraag - vraag waarop geen echt antwoord verwacht wordt


Deze slide heeft geen instructies

1.  Het musje (2)

Passer, deliciae meae puellae,

quicum ludere, quem in sinu tenere,

cui primum digitum dare appetenti

et acris solet incitare morsus,

cum desiderio meo nitenti

carum nescio quid lubet iocari,

et solaciolum sui doloris,

credo, ut tum gravis acquiescat ardor:

tecum ludere sicut ipsa possem

et tristis animi levare curas!

Musje, lieveling van mijn meisje,

met wie zij gewoon is te spelen, die zij gewoonlijk op haar schoot houdt, aan wie zij gewoonlijk het topje van haar vinger geeft, terwijl hij pikt, en wiens felle beten zij gewoonlijk uitlokt,

wanneer mijn geliefde,  terwijl  ze  straalt, 

graag een of ander dierbaar spel wil spelen

en (dat) een kleine troost (is) voor haar pijn,

naar ik  geloof, opdat dan haar hevige hartstocht tot rust komt:

kon ik maar net als je meesteres met jou spelen 

en de droeve zorgen van mijn geest verlichten.

Deze slide heeft geen instructies

2.  Het musje is dood (3)

Lugete, o Veneres Cupidinesque,

et quantum est hominum venustiorum:

passer mortuus est meae puellae,

passer, deliciae meae puellae,

quem plus illa oculis suis amabat.

Nam mellitus erat suamque norat

ipsam tam bene quam puella matrem,

nec sese a gremio illius movebat,

sed circumsiliens modo huc modo illuc

ad solam dominam usque pipiabat;

Treurt,  o  Venussen  en  Cupido’s 

en  alle  mensen  die  ook maar  enigszins  innemend  zijn: 

de  mus  van  mijn  meisje  is dood, 

de  mus,  de  lieveling  van  mijn  meisje, 

die  zij  meer liefhad  dan  haar  eigen  ogen. 

Want  hij  was  honingzoet en kende zijn

meesteres net zo goed als een meisje haar moeder [kent], 

en  hij  bewoog  zich  niet  van  haar  schoot, 

maar  in  het  rond  hippend  nu  eens  hierheen,  dan  weer  daarheen,  tjilpte hij voortdurend naar zijn enige meesteres;

Deze slide heeft geen instructies

2.  Het musje is dood (3)

qui nunc it per iter tenebricosum

illuc, unde negant redire quemquam.

At vobis male sit, malae tenebrae

Orci, quae omnia bella devoratis:

tam bellum mihi passerem abstulistis.

O factum male! O miselle passer!

Tua nunc opera meae puellae

flendo turgiduli rubent ocelli!

hij gaat nu langs de weg vol duisternis

daarheen, vanwaar ze zeggen dat niemand terugkeert.

Maar laat het jou slecht vergaan, slechte duisternis

van de Orcus, (jij) die al het mooie/alles wat mooi is verslindt:

je hebt van mij de zo mooie mus weggenomen.

O misdaad! O ongelukkig musje!

Nu zijn door jouw toedoen van mijn meisje

de lieve ogen gezwollen rood door het huilen.

Deze slide heeft geen instructies

Aan de slag!

  • leren woorden t/m 40 + stijlfiguren + vertaalde teksten

  • vertalen: Catullus gedicht 3 en 4 t/m r. 13

  • herhalen: coniunctivus! Summa blz. 35-38

  • Oefendrills bij de coniunctivus (naar behoefte/inzicht)

Deze slide heeft geen instructies

Deze les: de les- en leerdoelen:

Aan het einde van deze les...


  • kun je je vertaalfouten aanwijzen en verklaren

  • begrijp je gedicht 1 en 2 inhoudelijk

  • ken je 5 nieuwe stijlfiguren: polysyndeton, tricolon, climax, antithese, retorische vraag

  • heb je gedicht 3 vertaald.

Deze slide heeft geen instructies

Les- en leerdoelen vwo 4:

Lesdoel: zelfstandig werken aan het vertalen van Latijnse teksten, het maken van opdrachten, tekstvragen en Drillsters.


Leerdoel: Ik kan tijdens deze les zelfstandig en doelgericht aan mijn Latijnse leerwerk werken en hulp vragen aan de docent wanneer dat nodig is.



Basisvaardigheden: taal, rekenen, burgerschap.

Deze slide heeft geen instructies

De vorige les

Aan het einde van de vorige les kon je....


  • informatie geven over de auteur Catullus, zijn leven, werk en genre.

  • gedicht 1 en 2 begrijpen

  • 5 stijlfiguren (metafoor, hyperbaton, metonymia, anafoor en asyndeton) herkennen, benoemen en uitleggen.

Deze slide heeft geen instructies

Deze les: de les- en leerdoelen:

Aan het einde van deze les...


  • kun je je vertaalfouten aanwijzen en verklaren

  • begrijp je gedicht 3 inhoudelijk

  • ken je 5 nieuwe stijlfiguren: alliteratie, chiasme, parallellisme, litotes, personificatie

  • heb je gedicht 4 vertaald en ben je al ruim begonnen aan gedicht 6.

Deze slide heeft geen instructies

Welk effect past het best bij een antithese?

A

contrast benadrukken

B

tempo vertragen

C

drieledigheid tonen

D

antwoord uitlokken

De juiste keuze sluit aan bij de kern van antithese: een scherpe tegenstelling. De andere opties horen bij polysyndeton, tricolon en een gewone vraag.

Welk contrast zie je in 'Hij sprak weinig, maar zei veel'?

Bespreek dat leerlingen het betekenisvolle contrast moeten benoemen, niet alleen twee losse woorden. Mogelijke elementen: weinig/veel; contrast tussen spreken en inhoud; kernachtige formulering.

Wat maakt een climax vooral tot een climax?

A

herhaald voegwoord

B

scherpe tegenstelling

C

toenemende kracht

D

geen antwoord nodig

Toenemende kracht is de beslissende eigenschap. Dit onderscheidt climax van de andere behandelde stijlfiguren.

Climax en tricolon

Een tricolon is vooral een reeks van drie parallelle delen. Een climax draait vooral om een opbouw naar sterker effect. Eén voorbeeld kan beide stijlfiguren tegelijk zijn.

tricolon
drie
climax
sterker effect
contrast
vraag
voegwoorden
langzamer tempo

Laat leerlingen het onderscheid expliciet formuleren: tricolon = drieledigheid, climax = opbouw in intensiteit.

Waarom kan 'veni, vidi, vici' ook twee stijlfiguren tegelijk zijn?

Bespreek dat 'veni, vidi, vici' zowel drie parallelle delen heeft als een voortgang naar een beslissend eindpunt. Goede antwoorden noemen dus beide kenmerken.

Waaraan herken je een polysyndeton het duidelijkst?

A

opbouw in sterkte

B

herhaalde voegwoorden

C

tegenstelling

D

vraagvorm

De kern is de opvallende herhaling van voegwoorden zoals et. Zo wordt het tempo vertraagd en krijgt elk onderdeel nadruk.

Wat verwacht je bij een retorische vraag?

A

een opsomming

B

een echt antwoord

C

drie gelijke delen

D

een gestuurd standpunt

Een retorische vraag stuurt het publiek en presenteert een standpunt als vanzelfsprekend, zonder echt antwoord te verwachten.

Twee herkenningssignalen

Bij een polysyndeton worden voegwoorden opvallend vaak herhaald. Daardoor wordt het tempo vertraagd. Bij een retorische vraag lijkt de zin een vraag, maar er wordt geen echt antwoord verwacht.

polysyndeton
tempo
retorische vraag
antwoord
contrast
drie
hoogtepunt
opsomming

Deze oefening koppelt vorm aan effect: herhaalde voegwoorden vertragen, vraagvorm zonder antwoord stuurt het publiek.

Stijlfiguren in het Latijn

Open vanuit het idee dat stijlfiguren niet alleen versiering zijn, maar nadruk, ritme en overtuigingskracht geven aan Latijnse teksten.

Leerdoel

Ik kan vijf stilistische middelen in Latijnse teksten herkennen en uitleggen: alliteratie, chiasme, parallellisme, litotes en de personificatie.

Deze slide heeft geen instructies

Stijlfiguren in het Latijn

Open vanuit het idee dat stijlfiguren niet alleen versiering zijn, maar nadruk, ritme en overtuigingskracht geven aan Latijnse teksten.

Leerdoel

Ik kan vijf stilistische middelen in Latijnse teksten herkennen en uitleggen: antithese, climax, tricolon, polysyndeton en de retorische vraag.

Deze slide heeft geen instructies

Alliteratie

Alliteratie is de herhaling van dezelfde beginmedeklinker of klank in woorden die dicht bij elkaar staan.


  • geeft nadruk aan een passage

  • maakt een zin ritmischer en opvallender

  • komt vaak voor in poëzie en retoriek

Benadruk dat het om begin-klanken gaat, niet om eindrijm. In het Latijn werkt dit vaak sterk door de woordvolgorde.

Alliteratie: Latijn en Nederlands

Latijn

Veni, vidi, vici.


De herhaling van de v-klank maakt de uitspraak krachtig, kort en memorabel.

Nederlands

Wind waait wild.


De herhaling van de w-klank geeft extra nadruk en klankwerking.


Peppa Pig!

Bij het Latijnse voorbeeld is de formulering beroemd door haar bondigheid; de alliteratie versterkt het effect.

Waarom werkt alliteratie?

  • trekt de aandacht van de luisteraar

  • verbindt woorden klankmatig met elkaar

  • helpt om een formulering beter te onthouden

Koppel dit aan redevoeringen: klank ondersteunt overtuigingskracht.

Alliteratie herkennen

Let op twee dingen:


  • woorden staan meestal dicht bij elkaar

  • de begin-klank keert bewust terug


Niet elke toevallige klankherhaling is meteen alliteratie; het gaat om stijl met effect.

Deze slide heeft geen instructies

Chiasme

Een chiasme is een kruislings patroon in de woordvolgorde.


Schema: A – B – B – A


  • legt nadruk op samenhang of tegenstelling

  • maakt een zin evenwichtig en opvallend

  • komt veel voor in Latijnse literatuur

Noem dat de term verwijst naar de Griekse letter chi (X): de structuur kruist als het ware.

Chiasme: Latijn en Nederlands

Magnam virtutem, pecuniam parvam habet.


Schema: magnam (A) – virtutem (B) – parvam (A) – pecuniam (B) in gekruiste koppeling van eigenschappen en zelfstandige naamwoorden.

Zij leeft om te leren, en leert om te leven.


Schema: leven – leren – leren – leven.

Latijn

Nederlands

Het Latijnse voorbeeld laat een kruisstructuur zien in de combinatie van adjectieven en zelfstandige naamwoorden. Bespreek dat de precieze analyse soms afhangt van wat je als paren leest.

Effect van een chiasme

Een chiasme ordent een zin zo dat twee delen elkaar spiegelen.


Daardoor kan een schrijver:

  • contrast laten uitkomen

  • een uitspraak bondig structureren

  • een gedachte extra nadruk geven

Deze slide heeft geen instructies

Chiasme in Latijnse teksten

In het Latijn valt een chiasme vaak extra op doordat de woordvolgorde vrijer is dan in het Nederlands. Een auteur kan woorden bewust kruiselings plaatsen voor stijl en nadruk.

Laat eventueel zien dat leerlingen bij het vertalen niet alleen naar grammatica, maar ook naar vorm moeten kijken.

Parallellisme

Parallellisme is het gebruik van gelijke of overeenkomstige zinsstructuren.


  • zorgt voor ritme en duidelijkheid

  • verbindt onderdelen inhoudelijk met elkaar

  • maakt opsommingen of tegenstellingen sterker

Benadruk het verschil met chiasme: parallellisme is gelijklopend, chiasme is gekruist.

Parallellisme: Latijn en Nederlands

Sommigen lachen, sommigen huilen.


Ook hier keert dezelfde zinsbouw terug, wat de tegenstelling helder maakt.

Nederlands

Latijn

Alii rident, alii flent.


De twee zinsdelen hebben dezelfde structuur: onderwerp + persoonsvorm.

Dit is een eenvoudig, didactisch voorbeeld; het doel is dat leerlingen de gelijke structuur direct zien.

Parallellisme en effect

Door herhaling van structuur krijgt een tekst orde.


  • de lezer verwerkt informatie sneller

  • verschillen tussen onderdelen worden scherper

  • de formulering klinkt plechtiger of overtuigender

Deze slide heeft geen instructies

Parallellisme herkennen

Zo herken je parallellisme:


  • vergelijk opeenvolgende zinsdelen

  • kijk of de grammaticale bouw gelijk blijft

  • let op herhaling van woordsoorten of zinsfuncties

Als extra contrast: bij chiasme verwacht je een spiegeling, bij parallellisme juist een herhaling in dezelfde volgorde.

Litotes

Een litotes is een verzachtende uitdrukking waarbij iets wordt ontkend om juist het tegenovergestelde te suggereren.


  • vaak: ontkenning van een tegenstelling

  • effect is subtieler dan een directe uitspraak

  • kan bescheiden, ironisch of nadrukkelijk werken

Leerlingen verwarren litotes soms met gewone ontkenning. Het gaat om een formulering die méér betekent dan er letterlijk staat.

Litotes: Latijn en Nederlands

Latijn

Non ignarus est.


Letterlijk: ‘Hij is niet onwetend.’

Bedoeld: hij weet er wel degelijk van.

Nederlands

Dat is niet slecht.


Letterlijk klinkt het zwak, maar bedoeld wordt vaak: dat is best goed.

Bespreek dat litotes vaak afhangt van context en toon: dezelfde woorden kunnen neutraler of sterker overkomen.

Waarom een litotes gebruiken?

Een directe uitspraak kan hard of opschepperig klinken. Met een litotes kiest een schrijver voor omweg en nuance.


Dat kan:

  • beleefder klinken

  • ironie oproepen

  • de lezer actiever laten interpreteren

Deze slide heeft geen instructies

Litotes en betekenis

Bij een litotes moet je altijd twee lagen lezen:


  • wat er letterlijk staat

  • wat er werkelijk bedoeld wordt


Juist die spanning maakt het stijlmiddel effectief.

Laat leerlingen bij vertalen niet te letterlijk blijven hangen; de betekenis is vaak sterker dan de woorden op zichzelf suggereren.

Personificatie

Personificatie is het toekennen van menselijke eigenschappen aan iets niet-menselijks.


  • een abstract begrip kan handelen of spreken

  • natuurverschijnselen krijgen menselijk gedrag

  • het beeld wordt levendiger en expressiever

Maak duidelijk dat het niet alleen om mensen in dierenverhalen gaat; ook abstracte begrippen zoals de dood, liefde of roem kunnen gepersonifieerd worden.

Personificatie: Latijn en Nederlands

Latijn

De stad slaapt.


Een stad kan niet letterlijk slapen; de menselijke eigenschap maakt het beeld levendig.

Fortuna caeca est.


Fortuna, het noodlot of geluk, krijgt een menselijke eigenschap: blind zijn.

Nederlands

Het Latijnse voorbeeld sluit aan bij een bekend abstract begrip uit de Romeinse cultuur.

Effect van personificatie

Personificatie maakt een tekst beeldender.


  • abstracte ideeën worden voorstelbaar

  • gevoelens krijgen meer kracht

  • een lezer onthoudt het beeld gemakkelijker

Deze slide heeft geen instructies

Personificatie in Latijnse literatuur

Latijnse auteurs geven vaak menselijke trekken aan goden, de natuur en abstracte begrippen. Daardoor wordt een tekst niet alleen informatief, maar ook emotioneel en beeldend.

Je kunt hier kort aangeven dat personificatie ook nauw samenhangt met de mythologische denkwereld van de oudheid.

Stijlmiddelen vergelijken

  • Alliteratie: herhaling van begin-klanken

  • Chiasme: gekruiste woordvolgorde

  • Parallellisme: gelijke zinsstructuur

  • Litotes: bevestiging via ontkenning

  • Personificatie: iets niet-menselijks wordt menselijk voorgesteld

Deze overzichtsslide helpt om de verschillen scherp te houden voor herkenning in teksten.

Begrippenlijst

alliteratie - herhaling van dezelfde begin-klank in woorden die dicht bij elkaar staan

chiasme - kruiselings patroon in woordvolgorde of zinsbouw

parallellisme - herhaling van gelijke zinsstructuren

litotes - een verzachtende formulering via ontkenning van het tegendeel

personificatie - een niet-menselijk begrip of ding krijgt menselijke eigenschappen


Deze slide heeft geen instructies

3.  Carpe diem (5)

Vivamus, mea Lesbia, atque amemus,

rumoresque senum severiorum

omnes unius aestimemus assis!

Soles occidere et redire possunt:

nobis cum semel occidit brevis lux,

nox est perpetua una dormienda.

Da mi basia mille, deinde centum,

dein mille altera, dein secunda centum,

deinde usque altera mille, deinde centum.

Dein, cum milia multa fecerimus,

conturbabimus illa, ne sciamus,

aut ne quis malus invidere possit,

cum tantum sciat esse basiorum.

Laten  we  léven,  mijn  Lesbia,  en  laten  we  liefhebben 

en laten we alle praatjes van de al te strenge oude mannen

één cent waard achten!

Zonnen kunnen ondergaan en terugkeren:

wanneer eenmaal het korte licht is ondergegaan,

moet er door ons één onafgebroken nacht geslapen worden.

Geef mij  duizend  kussen,  daarna  honderd, 

daarna  een  tweede duizend, daarna een tweede honderd,

daarna zonder onderbreking een andere duizend, daarna honderd.

Vervolgens,  wanneer  wij  vele  duizenden  kussen  toegevoegd/

opgeteld  zullen  hebben,  zullen  wij  die  in  de  wargooien,

opdat wij (het) niet weten, of opdat niet een kwaadaardig  persoon  afgunstig  kan  zijn/met  zijn  boze  oog  ons kan gadeslaan,

wanneer hij weet dat er zoveel kussen zijn.

Deze slide heeft geen instructies

Aan de slag!

Leren: stijlfiguren + vertaalde teksten + woorden 41-60


Vertalen: C 4 + C 6-7 t/m r.13 (25 regels)


Maken: bijbehorende tekstvragen

Deze slide heeft geen instructies

Les- en leerdoelen vwo 4:

Lesdoel: zelfstandig werken aan het vertalen van Latijnse teksten, het maken van opdrachten, tekstvragen en Drillsters.


Leerdoel: Ik kan tijdens deze les zelfstandig en doelgericht aan mijn Latijnse leerwerk werken en hulp vragen aan de docent wanneer dat nodig is.



Basisvaardigheden: taal, rekenen, burgerschap.

Deze slide heeft geen instructies

De vorige les

Aan het einde van de vorige les kon je....


  • je vertaalfouten aanwijzen en verklaren

  • gedicht 3 inhoudelijk begrijpen en uitleggen

  • 5 nieuwe stijlfiguren (alliteratie, chiasme, parallellisme, litotes, personificatie) herkennen, benoemen en uitleggen.

Deze slide heeft geen instructies

Deze les: de les- en leerdoelen:

Aan het einde van deze les...


  • kun je je vertaalfouten aanwijzen, verklaren en verbeteren

  • begrijp je gedicht 4 en 6 inhoudelijk

  • ken je 8 nieuwe stijlfiguren: eufemisme, hypallage, hyperbool, paradox, pleonasme, sententia, tautologie, vergelijking

  • heb je gedicht 7 vertaald en ben je al ruim begonnen aan gedicht 8.

Deze slide heeft geen instructies

Waardoor herken je alliteratie het best?

A

begin-klanken

B

eindrijm

C

tegenstelling

D

omgekeerde volgorde

De afleiders verwijzen naar andere verschijnselen: eindrijm is iets anders, tegenstelling hoort niet per se bij alliteratie, en omgekeerde volgorde past eerder bij chiasme.

Alliteratie aanvullen

Bij alliteratie keert een begin-klank terug in woorden die dicht bij elkaar staan. Daardoor krijgt een formulering meer nadruk en wordt zij vaak beter onthouden.

begin-klank
nadruk
onthouden
eindrijm
tegenspraak
vergeten

Alle drie de ingevulde woorden komen rechtstreeks uit het alliteratieblok: vorm, effect en functie.

Welk schema past bij een chiasme?

A

A-B-A-B

B

A-A-B-B

C

A-B-B-A

D

A-B-C-A

Laat leerlingen benoemen dat chiasme een kruisstructuur is, geen gewone herhaling.

Wat is het verschil tussen chiasme en parallellisme?

Verwachte elementen: parallellisme = gelijke volgorde of gelijke zinsstructuur; chiasme = gekruiste of spiegelende volgorde. Een goed antwoord noemt dus 'gelijklopend' versus 'gekruist'.

Wat maakt parallellisme sterker in een zin?

A

gelijke structuur

B

dubbele ontkenning

C

menselijke trek

D

dezelfde beginletter

De afleiders verwijzen naar litotes, personificatie en alliteratie.

Parallellisme aanvullen

Bij parallellisme vergelijk je opeenvolgende zinsdelen. Als de grammaticale bouw gelijk blijft, ontstaat meer ritme en duidelijkheid.

zinsdelen
bouw
duidelijkheid
beeldspraak
kruising
verzwakking

De woorden sluiten aan bij de herkenningsslide en de effectslide van parallellisme.

Wat bedoelt een litotes meestal?

A

letterlijke ontkenning

B

zwakke herhaling

C

versterking via ontkenning

D

menselijke voorstelling

De kern is dat een litotes meer bedoelt dan er letterlijk staat.

Litotes aanvullen

Bij een litotes lees je eerst wat er letterlijk staat, maar daarna ook wat werkelijk wordt bedoeld. Juist die spanning maakt het stijlmiddel effectief.

staat
bedoeld
spanning
rijmt
vergeten
opsomming

Dit sluit direct aan op de slide over de twee betekenislagen van litotes.

Wat gebeurt er bij personificatie?

A

klanken herhalen

B

woorden kruisen

C

iets menselijk maken

D

ontkenning verzachten

De juiste optie vat de definitie kernachtig samen; de andere opties horen bij de andere stijlmiddelen uit het overzicht.

Stijlfiguren in het Latijn

Open vanuit het idee dat stijlfiguren niet alleen versiering zijn, maar nadruk, ritme en overtuigingskracht geven aan Latijnse teksten.

Leerdoel

Ik kan acht stilistische middelen in Latijnse teksten herkennen en uitleggen: eufemisme, hypallage, hyperbool, paradox, pleonasme, sententia, tautologie en de vergelijking.

Deze slide heeft geen instructies

Eufemisme

Een eufemisme is een verzachtende uitdrukking. Iets pijnlijks, hard of gevoeligs wordt minder scherp geformuleerd.

Deze slide heeft geen instructies

Eufemisme

Latijn

quibus fors corpora dedisset, darent animos.

(Romulus zei) dat ze hun geest moesten geven aan degenen aan wie het lot hun lichaam had gegeven (=dat ze diegenen moesten gaan liefhebben die hen geroofd hadden).                                        Livius, AUC 1.9.15


Letterlijk: 'aan wie het lot hun lichaam had gegeven', zachter voor: 'door wie je gegrepen en ontvoerd bent'.

Nederlands

Hij is heengegaan.


'Doodgaan' wordt zachter uitgedrukt.

Je kunt hier aangeven dat eufemismen vaak cultureel bepaald zijn: ook Romeinse auteurs konden harde werkelijkheid verzachten met omzichtige formuleringen.

Hypallage

Bij hypallage hoort een bijvoeglijk naamwoord grammaticaal bij het ene woord, terwijl het inhoudelijk beter past bij een ander woord in de zin.

Dit is voor leerlingen vaak een lastig begrip. Benadruk het verschil tussen grammaticale koppeling en logische koppeling.

Hypallage

Hij reed door de slapeloze nacht.


Letterlijk is niet de nacht slapeloos, maar de mens.

Latijn

Ibant obscuri sola sub nocte per umbram.

Zij liepen donker door de eenzame nacht door het duister.

(= Zij liepen alleen door de donkere nacht in het duister.)          Vergilius, Aeneis 6.268


'een eenzame nacht': inhoudelijk past 'eenzaam' eerder bij de reizigers dan bij de nacht en donker bij nacht.

Nederlands

Het Latijnse voorbeeld komt uit Vergilius. Licht toe dat hypallage in Latijnse poëzie vaak sfeer oproept en de formulering compacter maakt.

Hyperbool

Een hyperbool is een bewuste overdrijving. De spreker bedoelt het niet letterlijk, maar wil een sterk effect bereiken.

Deze slide heeft geen instructies

Hyperbool

Nederlands

instar montis equum

een paard zo groot als een berg                    Vergilius, Aeneis 2.15


Ik heb je al duizend keer geroepen.


Het getal is duidelijk overdreven.

Latijn

Leg bij het Latijnse voorbeeld uit dat overdrijving niet altijd alleen in aantallen zit, maar ook in een sterk uitvergroot beeld of gevoel.

Paradox

Een paradox is een schijnbare tegenstrijdigheid. De combinatie lijkt onmogelijk, maar zet juist aan tot nadenken.

Deze slide heeft geen instructies

Paradox

Latijn

Festina lente.


'Haast je langzaam': twee tegengestelde ideeën vormen samen één gedachte.         


Cum tacent, clamant.

Doordat ze zwijgen, schreeuwen ze luid.                 Cicero, Oratio in Catilinam 1.21

Door te zwijgen zei hij alles.


Zwijgen en alles zeggen botsen schijnbaar.


Zo zullen de laatsten de eersten en de eersten de laatsten zijn.

Nederlands

Benadruk dat een paradox niet simpelweg onzin is: de spanning tussen de woorden draagt een diepere betekenis.

Pleonasme

Een pleonasme bevat een woord met een eigenschap die al vanzelf in een ander woord besloten ligt.

Maak het onderscheid met tautologie alvast klein zichtbaar: bij een pleonasme gaat het vaak om verschillende woordsoorten, niet om synoniemen naast elkaar.

Pleonasme

Nederlands

Latijn

witte sneeuw


Sneeuw is van zichzelf al wit.

Rursus reverterunt.

 Ze keerden weer terug.                                             Caesar, De Bello Gallico 4.4.5

 

ante obitum … supremaque funera

vóór zijn dood en laatste begrafenis           Ovidius, Met. 3.137

Je kunt noemen dat pleonasmen in literaire teksten soms toch functioneel zijn: ze vertragen, benadrukken of kleuren een beeld.

Sententia

Een sententia is een kernachtige, algemeen geldende uitspraak. Het klinkt als een levensles, inzicht of wijsheid.

Deze slide heeft geen instructies

Sententia

Haastige spoed is zelden goed.


Een algemene les, niet alleen voor één situatie.

Latijn

Nederlands

Homines, dum docent, discunt.


Mensen leren, terwijl zij les geven.         Seneca, Epistula ad Lucilium 7.8


Geef aan dat sententiae in Latijnse teksten vaak memorabel zijn en daardoor makkelijk geciteerd worden.

Tautologie

Een tautologie herhaalt dezelfde gedachte met twee woorden die (bijna) hetzelfde betekenen.

Benadruk het verschil met pleonasme: tautologie = synoniemen naast elkaar; pleonasme = overbodige eigenschap.

Tautologie

Domum meam maioribus praesidiis munivi atque firmavi


Ik heb mijn huis met grotere wachtposten beveiligd en versterkt.

Cicero, Oratio in Catilinam 1.10



nooit en te nimmer


Twee bijna gelijke woorden versterken elkaar.

Latijn

Nederlands

Leg uit dat exacte schoolvoorbeelden in het Latijn soms kunstmatig kunnen zijn; het doel hier is herkenning van het principe.

Pleonasme en tautologie

  • Pleonasme: een overbodige eigenschap zit al in het zelfstandig naamwoord.

  • Tautologie: dezelfde betekenis wordt herhaald met synoniemen.

  • Voorbeeld pleonasme: witte sneeuw.

  • Voorbeeld tautologie: nooit en te nimmer.

Deze dia vangt een veelvoorkomende verwarring op. Houd het contrast scherp en gebruik precies dezelfde termen als eerder.

Vergelijking

Vorm van beeldspraak waarbij afgebeelde en beeld beide worden genoemd (dus met “als”, “zoals”, “gelijk aan” etc.).

 

De vergelijking bestaat uit drie elementen:

1.             afgebeelde (= persoon/zaak die vergeleken wordt)

2.             beeld (= persoon/zaak waarmee vergeleken wordt)

3.             punt van overeenkomst/tertium comparationis (= het aspect waarin afgebeelde en beeld overeenkomen)

Deze slide heeft geen instructies

Vergelijking

De blozende jongen was zo rood als een kreeft.


Afgebeelde:  de blozende jongen

Beeld: de kreeft

Tertium comparationis:  de roodheid

Latijn

aut quam sidera multa, cum tacet nox,

furtivos hominum vident amores:

tam te basia multa basiare

vesano satis et super Catullo est.

of zoveel sterren als er, wanneer de nacht zwijgt, de heimelijke liefdes van de mensen zien: als je me zoveel kussen geeft, is dat voldoende en meer dan voldoende voor de waanzinnige Catullus.                 Catullus, Carmen 7.7-10

 

Afgebeelde:  het aantal kussen dat Catullus van Lesbia krijgt

Beeld:                   het aantal sterren aan de hemel

Tertrium comparationis:     oneindigheid

Nederlands

Wijs erop dat een vergelijking expliciet is; dat onderscheidt haar van een metafoor, waarin het vergelijkingswoord ontbreekt.

Direct en indirect effect

  • Eufemisme verzacht.

  • Hyperbool vergroot.

  • Paradox schuurt en laat nadenken.

  • Sententia onthoud je gemakkelijk door de bondige vorm.

  • Vergelijking maakt een beeld concreet.

Laat leerlingen zien dat stijlfiguren niet losstaande labels zijn: elk middel heeft een eigen effect op de lezer.

4.  Zelfbeklag (8)

Miser Catulle, desinas ineptire,

Et, quod vides perisse, perditum ducas.

Fulsere quondam candidi tibi soles,     

cum ventitabas quo puella ducebat

amata nobis quantum amabitur nulla.

Ibi illa multa cum iocosa fiebant,

quae tu volebas nec puella nolebat,

fulsere vere candidi tibi soles.                     

Nunc iam illa non vult: tu quoque, impotens, noli,       

nec quae fugit sectare, nec miser vive,  

sed obstinata mente perfer, obdura.


Ongelukkige Catullus, laat jij ophouden dwaas te zijn

en laat jij datgene, waarvan je ziet dat het verloren is gegaan, als verloren  beschouwen.  Eens  schitterden  voor  jou  stralend witte zonnen,

toen jij voortdurend ging waarheen het meisje  jou  leidde, 

(het  meisje)  dat  door  ons/mij  bemind  werd zoveel als geen enkel (meisje) bemind zal worden. Toen daar die vele vrolijke dingen gebeurden, die jij wilde en het meisje  heel  graag  wilde, 

schitterden  echt  stralend  witte  zonnen voor jou.

Nu wil zij niet meer: ook jij, jezelf niet beheersend, moet  niet  willen 

en  loop  haar  niet  achterna  die  wegvlucht, en leef niet ongelukkig, maar verdraag (het) vastberaden, volhard.

Deze slide heeft geen instructies

4.  Zelfbeklag (8)

Vale, puella. Iam Catullus obdurat,                                

nec te requiret nec rogabit invitam.

At tu dolebis, cum rogaberis nulla.

Scelesta, vae te, quae tibi manet vita?                          

Quis nunc te adibit? Cui videberis bella?                      

Quem nunc amabis? Cuius esse diceris?                     

Quem basiabis? Cui labella mordebis?

At tu, Catulle, destinatus obdura.

Vaarwel, meisje. Reeds volhardt Catullus,

en niet  zal  hij  naar  jou  terugverlangen  en  niet  zal  hij  jou  vragen,  wanneer  jij  niet  wilt.  Maar  jíj  zult  verdriet  hebben, wanneer jij niet gevraagd zult worden. Rampzalige, arme jij,  welk  leven  staat  jou  te  wachten?  Wie  zal  nu  naar  jou toegaan? In wiens ogen zul jij mooi schijnen? Wie zul jij nu beminnen? Van wie zul jij gezegd worden te zijn? Wie zul jij kussen?  Voor  wie/In  wiens  lippen  zul  jij  bijten? 

Maar  jij, Catullus, volhard vastbesloten.

Deze slide heeft geen instructies

6.  Onweerstaanbare ogen (48)

Mellitos oculos tuos, Iuventi,                              

si quis me sinat usque basiare,

usque ad milia basiem trecenta                          

nec numquam videar satur futurus,

non si densior aridis aristis

sit nostrae seges osculationis.

Als  iemand  mij  zou  toestaan  jouw  honingzoete  ogen, Juventius, 

zonder  onderbreking  te  kussen, 

dan  zou  ik  met kussen  doorgaan  tot  de  300.000 

en  nooit  zou  ik  me  bevredigd  voelen, 

zelfs  niet  als  de  aanwas  van  ons  gekus voller

zou zijn dan gerijpte korenaren.

Deze slide heeft geen instructies

6.  Onweerstaanbare ogen (48)

Mellitos oculos tuos, Iuventi,                              

si quis me sinat usque basiare,

usque ad milia basiem trecenta                          

nec numquam videar satur futurus,

non si densior aridis aristis

sit nostrae seges osculationis.

Als  iemand  mij  zou  toestaan  jouw  honingzoete  ogen, Juventius, 

zonder  onderbreking  te  kussen, 

dan  zou  ik  met kussen  doorgaan  tot  de  300.000 

en  nooit  zou  ik  me  bevredigd  voelen, 

zelfs  niet  als  de  aanwas  van  ons  gekus voller

zou zijn dan gerijpte korenaren.

Deze slide heeft geen instructies

Aan de slag!

Leren: stijlfiguren + vertaalde teksten + woorden 61-80


Vertalen: C 7-8


Maken: bijbehorende tekstvragen

Deze slide heeft geen instructies

Deze les: de les- en leerdoelen:

Aan het einde van deze les...


  • kun je je vertaalfouten aanwijzen, verklaren en verbeteren

  • begrijp je gedicht 4 en 6 inhoudelijk

  • ken je 8 nieuwe stijlfiguren: eufemisme, hypallage, hyperbool, paradox, pleonasme, sententia, tautologie, vergelijking

  • heb je gedicht 7 vertaald en ben je al ruim begonnen aan gedicht 8.

Deze slide heeft geen instructies

De vorige les

Aan het einde van de vorige les kon je....


  • je vertaalfouten aanwijzen en verklaren

  • gedicht 4 en 6 inhoudelijk begrijpen en uitleggen

  • alle stijlfiguren herkennen, benoemen en uitleggen.

Deze slide heeft geen instructies

Deze les: de les- en leerdoelen:

Aan het einde van deze les...


  • kun je je vertaalfouten aanwijzen, verklaren en verbeteren

  • begrijp je gedicht 7 en 8 inhoudelijk

  • heb je zelf stijlfiguren ontdekt in gedicht 8

  • heb je gedicht 9 en 10 vertaald en ben je al ruim begonnen aan gedicht 11

Deze slide heeft geen instructies

  1. Scherts en wijn (50)

1          Hesterno, Licini, die otiosi

multum lusimus in meis tabellis,

ut convenerat esse delicatos:

scribens versiculos uterque nostrum

5          ludebat numero modo hoc modo illoc,

reddens mutua per iocum atque vinum.

Atque illinc abii tuo lepore

incensus, Licini, facetiisque,

ut nec me miserum cibus iuvaret

10       nec somnus tegeret quiete ocellos,

sed toto indomitus furore lecto

versarer, cupiens videre lucem,

ut tecum loquerer, simulque ut essem.

1 Gisteren,  Licinius,  speelden  wij  onbezorgd  veel  op  mijn schrijfplankjes, 

zoals  we  hadden  afgesproken  verfijnd/frivool  te  zijn: 

terwijl  ieder  van  ons  gedichtjes  schreef, 

5 speelde hij nu eens met deze, dan weer met die versmaat,

terwijl  hij  op  de  ander  reageerde  in  scherts  en  in  dronkenschap.  En  zo  ging  ik  daarvandaan  weg,  door jouw charme

aangestoken , Licinius, en humor,

zodat noch het eten mij, ongelukkige, smaakte,

10 noch de slaap mijn ogen met rust bedekte,  

maar    ik,    opgewonden    door    het    hele    bed

woelde/lag te woelen, verlangend het licht te zien,

om met jou  te  spreken  en  om  samen  met  jou  te  zijn.

Deze slide heeft geen instructies

  1. Scherts en wijn (50)

At defessa labore membra postquam

15       semimortua lectulo iacebant,

hoc, iucunde, tibi poema feci,

ex quo perspiceres meum dolorem.

Nunc audax cave sis, precesque nostras,

oramus, cave despuas, ocelle,

20       ne poenas Nemesis reposcat a te.

Est vehemens dea: laedere hanc caveto.

Maar  (later), toen mijn ledematen uitgeput door inspanning

15 half doodop  mijn  kleine  bed  lagen, 

heb  ik  dit  gedicht,  lieve  jongen, voor jou gemaakt,

opdat jij hieruit mijn pijn zou leren kennen. 

Pas  op  dat  je  niet  arrogant  bent  en,  we  smeken  je, 

pas op  dat  je  onze  smeekbedes  niet  veracht,  (mijn)  oogappel, 

20 opdat Nemesis niet van jou straf opeist.

Ze is een gewelddadige godin: pas ervoor op om haar te kwetsen.

Deze slide heeft geen instructies

  1. Een navolging van Sappho (51)

1          Ille mi par esse deo videtur,

ille, si fas est, superare divos,

qui sedens adversus identidem te

     spectat et audit

5          dulce ridentem, misero quod omnis

eripit sensus mihi: nam simul te,

Lesbia, aspexi, nihil est super mi

    lingua sed torpet, tenuis sub artus

10       flamma demanat, sonitu suopte

tintinant aures, gemina teguntur

     lumina nocte.

Otium, Catulle, tibi molestum est:

otio exsultas nimiumque gestis:

15       otium et reges prius et beatas

     perdidit urbes.

1 Die/hij  schijnt  mij  gelijk  te  zijn  aan  een  god, 

hij,  als  het geoorloofd  is  (te  zeggen),  schijnt  de  goden  te  overtreffen, die, zittend tegenover (jou), herhaaldelijk jou ziet en hoort

5 zoet lachen, hetgeen aan mij, ongelukkige, alle

zintuigen ontrukt: want zodra ik jou,

Lesbia, gezien heb, blijft er voor mij  niets  over

Maar  mijn  tong  is  verlamd  en  een  allesdoordringend vuur

10 stroomt neer diep in mijn ledematen, mijn oren suizen van hun eigen geluid en mijn beide ogen worden 

door  de  nacht/duisternis  bedekt. 

Het  nietsdoen, Catullus,  is  funest  voor  je: 

door  nietsdoen  ben  je  overmoedig en ben je al te uitgelaten: nietsdoen heeft vroeger zowel koningen als welvarende 15 steden te gronde gericht.

Deze slide heeft geen instructies

  1. Een loze belofte

Nulli se dicit mulier mea nubere malle

     quam mihi, non si se Iuppiter ipse petat.

Dicit: sed mulier cupido quod dicit amanti,

     in vento et rapida scribere oportet aqua.   

Mijn  vrouw  zegt  dat  zij  met  niemand  liever  wil  trouwen dan met mij, zelfs niet als Jupiter zelf haar zou vragen.

Dat zegt ze: maar wat een vrouw zegt tegen haar hartstochtelijke minnaar,  moet  men  in  de  wind  en  in  het  snelstromende water schrijven.

Deze slide heeft geen instructies

10.  Hartstocht of genegenheid? (72)

1          Dicebas quondam solum te nosse Catullum,

     Lesbia, nec prae me velle tenere Iovem.

Dilexi tum te non tantum, ut vulgus amicam,

     sed pater ut gnatos diligit et generos.

5          Nunc te cognovi: quare etsi impensius uror,

     multo mi tamen es vilior et levior.

‘Qui potis est?’ inquis. Quod amantem iniuria talis

     cogit amare magis, sed bene velle minus.

Jij  zei  eens  dat  jij  alleen  Catullus  kende, 

Lesbia,  en  dat  jij Jupiter  niet  wilde  bezitten  liever  dan  mij. 

Ik  heb  jou  toen niet  slechts  liefgehad  zoals  het  gewone  volk  zijn  vriendin(liefheeft), maar zoals een vader zijn kinderen en schoonzonen  liefheeft.  Nu  ken  ik  jou:  en  daarom,  hoewel  ik  feller van liefde brand, ben jij voor mij toch van veel minder waarde en onbeduidender/dwing je minder respect af. Hoe is het mogelijk, zeg je? Omdat zo’n onrecht iemand die verliefd is dwingt meer te beminnen, maar minder genegen te zijn.

Deze slide heeft geen instructies

11.  Het bewijs van haar liefde (83)

Lesbia mi praesente viro mala plurima dicit:

     haec illi fatuo maxima laetitia est.

Mule, nihil sentis. si nostri oblita taceret,

     sana esset: nunc quod gannit et obloquitur,         non solum meminit, sed, quae multo acrior est res,

     irata est. hoc est, uritur et loquitur.

Wanneer haar man aanwezig is, zegt Lesbia zeer veel slechte dingen tegen mij: dit is voor die dwaas de grootste vreugde.  Stommeling,  heb  je  dan  niets  door?  Als  zij,  ons  vergetend, zou zwijgen, zou ze genezen zijn; maar nu omdat ze keft en scheldt, denkt ze niet alleen aan mij, maar wat veel sterker  is,  ze  is  boos:  dit  betekent:  ze  brandt  en  (zo)  praat(ze).

Deze slide heeft geen instructies

12.  Haat en liefde (85)

Odi et amo. Quare id faciam, fortasse requiris.

     Nescio, sed fieri sentio et excrucior.

Ik  haat  en  ik  heb  lief.  Waarom  ik  dit  doe,  vraag  je  misschien.  Ik  weet  het  niet,  maar  ik  voel  het  gebeuren  en  ik word (erdoor) gekweld.

Deze slide heeft geen instructies

13.  Ware schoonheid (86)

Quintia formosa est multis, mihi candida, longa,

     recta est. Haec ego sic singula confiteor.

totum illud ‘formosa’ nego: nam nulla venustas,

     nulla in tam magno est corpore mica salis.

Lesbia formosa est, quae cum pulcerrima tota est,

     tum omnibus una omnis surripuit Veneres.

Quintia is in de ogen van velen mooi (formosa), in mijn ogen is ze stralend, lang, rijzig: elk van deze eigenschappen afzonderlijk  geef  ik  zo  toe, 

dat  woord  ‘formosa’  als  geheel  ontken ik: want geen verleidelijkheid, geen greintje smaak is in zo’n groot  lichaam. 

Lesbia  is  formosa,  die  niet  alleen  als  geheel zeer  mooi  is, 

maar  ook  alleen  aan  allen  alle  charmes  heeft ontstolen.

Deze slide heeft geen instructies

17.  Hoeveel kussen zijn genoeg? (7)

Quaeris, quot mihi basiationes

tuae, Lesbia, sint satis superque.

quam magnus numerus Libyssae harenae

laserpiciferis iacet Cyrenis

oraclum Iovis inter aestuosi

et Batti veteris sacrum sepulcrum;

aut quam sidera multa, cum tacet nox,

furtivos hominum vident amores:

tam te basia multa basiare

vesano satis et super Catullo est,

quae nec pernumerare curiosi

possint nec mala fascinare lingua.

Je vraagt, hoeveel kussen voor mij

van jou (tuae), Lesbia, genoeg zijn en meer dan [dat].

Zoveel als het grote aantal (van) Lybische zandkorrels

ligt in het duivelsdrek voortbrengende Cyrene

tussen het orakel van de gloeiend hete Juppiter

en het heilige graf van de oude Battus;

of zoveel sterren als er, wanneer de nacht zwijgt,

de heimelijke liefdes van de mensen zien:

zoveel vele kussen jou kussen

is genoeg en meer dan voor jouw dolverliefde Catullus,

zodat nieuwsgierige [mensen] ze niet tellen

kunnen en met een slechte tong beheksen.

Deze slide heeft geen instructies

Martialis

en het epigram

Open met de vraag wie in de oudheid korte, scherpe gedichten schreef. Leg uit dat Martialis vooral bekend is door zijn epigrammen: korte gedichten met een pointe.

Leerdoel

Ik kan uitleggen wie Martialis was, wat zijn werk succesvol maakte en wat het genre van het epigram kenmerkt.

Deze slide heeft geen instructies

Wie was Martialis?

  • Volledige naam: Marcus Valerius Martialis

  • Romeins dichter uit de 1e eeuw n.Chr.

  • Geboren in Bilbilis in Hispania

  • Vooral beroemd door zijn korte, scherpe gedichten

Bilbilis lag in het huidige Spanje. Benadruk dat Martialis wel een Romeins dichter is, maar niet in Rome geboren werd.

Zijn leven in grote lijnen

Martialis werd rond 40 n.Chr. geboren en trok als jonge man naar Rome. Daar bouwde hij een bestaan op als dichter. Hij leefde in de hoofdstad van het rijk, waar rijke beschermers en invloedrijke kennissen belangrijk waren voor schrijvers.


Patronus - cliens

Leg eventueel kort uit wat een beschermheer of patroon was: een rijke persoon die kunstenaars financieel of sociaal hielp.

Waarom naar Rome?

  • Rome was het politieke en culturele centrum

  • Daar vond een dichter publiek en contacten

  • Succes hing vaak af van relaties met machtige mensen

  • In Rome kon Martialis zijn naam opbouwen

Laat zien dat literair succes in de oudheid niet alleen van talent afhing, maar ook van netwerk en bescherming.

Leven als dichter

Het leven van Martialis was niet altijd gemakkelijk. Hoewel hij bekend werd, was hij ook afhankelijk van gunsten van anderen. Juist die afhankelijkheid werd een onderwerp in zijn gedichten: hij schrijft over geld, sociale verschillen, diners, cliënten en het stadsleven in Rome.

Dit vormt een brug naar zijn werk: zijn poëzie geeft een beeld van het dagelijks leven in Rome, vaak met humor of kritiek.

Zijn succes in Rome

  • Martialis kreeg bekendheid als dichter van epigrammen

  • Zijn werk werd gelezen in ontwikkelde Romeinse kringen

  • Hij schreef over herkenbare mensen en situaties

  • Daardoor klonken zijn gedichten levendig en actueel

Deze slide heeft geen instructies

Wat maakte hem populair?

  • Korte vorm: snel te lezen

  • Scherpe humor en spot

  • Verrassende pointe aan het einde

  • Onderwerpen uit het echte stadsleven

Benadruk dat de pointe typisch is voor het epigram. Dat verrassingseffect droeg sterk bij aan zijn succes.

Succes én kritiek

Martialis kon beroemd zijn en toch kritisch blijven. In zijn gedichten prijst hij soms invloedrijke personen, maar hij bespot ook ijdelheid, hebzucht, slechte smaak en sociaal toneel. Zijn succes kwam dus niet alleen door lof, maar ook door zijn scherpe blik.

Noem dat dichters in Rome soms balanceerden tussen bewondering voor machthebbers en subtiele kritiek op de samenleving.

Een spiegel van Rome

In zijn poëzie zie je het alledaagse Rome terug:

  • etentjes en uitnodigingen

  • rijke en arme stadsbewoners

  • vleierij en sociale ambitie

  • kleine ergernissen van het dagelijks leven

Maak duidelijk dat zijn werk voor historici en lezers waardevol is omdat het het sociale leven van Rome tastbaar maakt.

Terugkeer naar Spanje

Na vele jaren in Rome keerde Martialis terug naar Hispania, zijn geboortestreek. Dat gebeurde aan het einde van zijn leven. Zijn vertrek laat zien dat Rome wel kansen bood, maar ook vermoeiend en afhankelijk makend kon zijn.

Vermijd al te stellige psychologische verklaringen; houd het bij de tegenstelling tussen kansen in Rome en rust in Hispania.

Waarom vertrok hij?

  • Mogelijk verlangde hij naar rust

  • In Rome bleef het leven als dichter onzeker

  • Zijn band met Hispania bleef bestaan

  • Terugkeer betekende een afscheid van het drukke stadsleven

Formuleer voorzichtig: niet alles over zijn motieven is met zekerheid bekend. Het gaat om waarschijnlijke redenen die uit zijn levensloop en toon in het werk naar voren komen.

Zijn werk

Martialis is vooral bekend door een grote verzameling epigrammen. Dat zijn korte gedichten die vaak eindigen met een scherpe of verrassende wending. Zijn werk gaat over mensen, gewoonten en sociale verhoudingen in Rome.

Deze slide heeft geen instructies

Kenmerken van zijn poëzie

  • Kort en bondig

  • Vaak geestig of spottend

  • Gericht op een duidelijk effect

  • Regelmatig met een onverwacht slot

Leg uit dat bondigheid in Latijnse poëzie veel kracht kan hebben: weinig woorden, sterk effect.

Waarover schreef hij?

  • Vriendschap en vijandschap

  • Rijkdom en armoede

  • Gedrag in het openbare leven

  • Dwaasheid, schijn en ijdelheid

  • Kleine scènes uit het dagelijks bestaan

Deze thema's maken zijn gedichten toegankelijk: ze gaan vaak over herkenbaar menselijk gedrag.

Waarom zijn zijn gedichten belangrijk?

Martialis is belangrijk omdat zijn werk niet alleen literair is, maar ook een levendig beeld geeft van de Romeinse samenleving. Door zijn scherpe observaties leren we hoe mensen zich presenteerden, met elkaar omgingen en om status streden.

Dit is een kernslide: zijn werk is zowel kunst als bron voor sociale geschiedenis, maar houd de focus op Latijnse literatuur.

Wat is een epigram?

Van oorsprong een 'opschrift' (korte tekst op grafmonument, geschenk voor goden, een altaar of een standbeeld).


Daarna: een kort gedicht.


Bij Martialis: een kort gedicht met een puntige kern. Vaak werkt het toe naar een verrassend, grappig of scherp einde. Juist die beknoptheid en pointe maken het genre geschikt voor spot, observatie en snelle indruk.


Benadruk het genrebegrip: niet elk kort gedicht is automatisch een epigram, maar de pointe is hier beslissend.

Kenmerken van het epigram

  • Kort van vorm

  • Gericht op één idee of situatie

  • Eindigt vaak met een pointe

  • Kan grappig, spottend of scherp zijn

  • Laat met weinig woorden veel effect zien

Deze slide heeft geen instructies

Waarom past Martialis bij dit genre?

  • Hij schreef kernachtig

  • Hij observeerde mensen scherp

  • Hij gebruikte humor als wapen

  • Hij bouwde vaak naar een slotzin met effect

Koppel hier expliciet terug: zijn persoonlijke stijl en het genre versterken elkaar.

11. GENOEG VAN CHLOË (3.53)

Et voltu poteram tuo carere

et collo manibusque cruribusque

et mammis natibusque clunibusque,

et, ne singula persequi laborem,

tota te poteram, Chloe, carere.

En ik kan je gelaat missen

en je nek en je handen en je benen

en je borsten en je kont en je billen,

en, opdat ik me niet inspan de dingen stuk voor stuk gedetailleerd op te sommen,

ik kan jou helemaal, Chloë, missen.


Deze slide heeft geen instructies

12. Het is nooit goed (12.46/47)

Difficilis facilis, iucundus acerbus es idem:

     nec tecum possum vivere, nec sine te.

Lastig, makkelijk, prettig, scherp ben je tegelijkertijd:

ik kan niet met je leven en niet zonder je.


Deze slide heeft geen instructies

13. (IM)POTENT? (11.97)

Una nocte quater possum: sed quattuor annis

    si possum, peream, te Telesilla semel.

In één nacht kan ik het vier keer; maar ik mag (moge ik) sterven

als ik het in vier jaar met jou, Telesilla, eenmaal kan.

Deze slide heeft geen instructies

25. Wie als een dubbeltje geboren is... (5.81)

Semper pauper eris, si pauper es, Aemiliane:

     dantur opes nullis nunc nisi divitibus.

Altijd zul je arm zijn, als je arm bent, Aemilianus:

bezittingen worden aan niemand (lett.: geen (mensen)) gegeven,

tenzij aan de rijken.

Deze slide heeft geen instructies

26. Een ongelukje? (10.15)

Dotatae uxori cor harundine fixit acuta,

       Sed dum ludit Aper: ludere novit Aper.

Aper doorboorde bij zijn vrouw met rijke bruiddschat het hart

met een scherpe pijl, terwijl hij sportte. Aper kan sporten.

Deze slide heeft geen instructies

27. Vriendinnen (4.24)

Omnes quas habuit, Fabiane, Lycoris amicas

     extulit: uxori fiat amica meae.

Alle vriendinnen, Fabianus, die Lycoris had

bracht ze ten grave. Moge zij een vriendin voor mijn vrouw worden.

Deze slide heeft geen instructies

28. Beloning (10.43)

Septima iam, Phileros, tibi conditur uxor in agro.

       Plus nulli, Phileros, quam tibi, reddit ager.

Je zevende vrouw, Phileros, wordt door jou al geborgen in de

akker. De akker geeft aan niemand meer terug dan aan jou.

Deze slide heeft geen instructies

29. Rouw om een vrouw (2.65)

Cur tristiorem cernimus Saleianum?

'An causa leuis est?' inquis, 'extuli uxorem.'

O grande fati crimen! O grauem casum!

Illa, illa diues mortua est Secundilla,

centena decies quae tibi dedit dotis?             

Nollem accidisset hoc tibi, Saleiane.

Waarom zien we Saleianus bedroefder [dan anders]?

'Is de reden soms onbelangrijk?'zeg je 'ik heb mijn vrouw ten grave gedragen.' O grote misdaad van het lot! O zware slag!

Is die, die rijke Secundilla gestorven,

die aan jou een miljoen aan bruidsschat gaf?

Ik zou niet willen dat dat jou overkomen was, Saleianus.

Deze slide heeft geen instructies

31. What’s in a name (10.102)

Qua factus ratione sit requiris,

Qui numquam futuit, pater Philinus?

Gaditanus, Avite, dicat istud,

Qui scribit nihil et tamen poeta est.

Op welke manier is Philinus, vraag je,

vader geworden, (Philinus) die nooit neukt?

Laat, Avitus, Gaditanus je dat zeggen

die niets schrijft en toch dichter is.

Deze slide heeft geen instructies

De vorige les

Aan het einde van de vorige les ....


  • had je enorm veel gedichten van Catullus en Martialis nagekeken en verbeterd.

  • wist je wie Martialis was, wat zijn werk succesvol maakte en wat het genre van het epigram kenmerkt.


  • heb je de cultuurbladzijdes van Martialis ontvangen (les van mevrouw Postma)

Deze slide heeft geen instructies

Deze les: de les- en leerdoelen:

Aan het einde van deze les...


  • heb je de laatste (en daarmee dus alle) gedichten van Catullus en Martialis nagekeken en verbeterd.

  • heb je de vragen gesteld die je had.

  • heb je een begin gemaakt aan de voorbereiding van de toets.

  • heb je bovenstaande voor elkaar gekregen zonder anderen af te leiden.

Deze slide heeft geen instructies

32. Liefde maakt blind (3.8)

"Thaida Quintus amat." "Quam Thaida?" "Thaida luscam."

     Vnum oculum Thais non habet, ille duos.

'Quintus bemint Thaïs.' 'Welke Thaïs?' 'Thaïs met één oog.'

Thaïs heeft één oog niet, hij twee.

Deze slide heeft geen instructies

  1. Tand om tand (35.43)

Thais habet nigros, niueos Laecania dentes.

     Quae ratio est? Emptos haec habet, illa suos.

Thaïs heeft zwarte, Laecinia sneeuwwitte tanden.

Welke reden is [er daarvoo]? Deze heeft gekochte [tanden], die haar eigen.

Deze slide heeft geen instructies

36. Oog om oog (12.23)

Dentibus atque comis — nec te pudet — uteris emptis.

     Quid facies oculo, Laelia? non emitur.

Jij gebruikt tanden en haar - en je schaamt je niet - dat gekocht

is. Wat zul je doen memt je oog, Laelia? Dat is niet te koop.

Deze slide heeft geen instructies

37. Huid en haar (6.57)

Mentiris fictos unguento, Phoebe, capillos

     et tegitur pictis sordida calua comis.

Tonsorem capiti non est adhibere necesse:

     radere te melius spongea, Phoebe, potest.

Jij liegt, Phoebus, dat je haren door gel in vorm gehouden worden en je vuile kale kop wordt bedekt door geschilderde lokken. Het is niet nodig voor jouw hoofd een kapper te gebruiken: 'Scheren' kan jou, Phoebus, beter een spons.

Deze slide heeft geen instructies

38. Kromme benen (2.35)

Cum sint crura tibi similent quae cornua lunae,

     in rhytio poteras, Phoebe, lauare pedes.

Omdat jij benen hebt, die gelijk zijn aan de horentjes van de maan, zou je je voeten, Phoebus in een drinkbeker kunnen wassen.

Deze slide heeft geen instructies

39. Dokter (1.47)

Nuper erat medicus, nunc est uispillo Diaulus:

     quod uispillo facit, fecerat et medicus.

Tot voor kort was Diaulus dokter, nu is hij begrafenisondernemer: wat hij als begrafenisondernemer doet, had hij ook als dokter gedaan.

Deze slide heeft geen instructies

40. Oogarts (8.47)

Oplomachus nunc es, fueras opthalmicus ante.

    Fecisti medicus quod facis oplomachus.

Gladiator ben je nu, je was eerder oogarts geweest.

Je hebt als dokter gedaan, wat je nu als gladiator doet.

Deze slide heeft geen instructies

14.  Ware liefde (87)

Nulla potest mulier tantum se dicere amatam

     vere, quantum a me Lesbia amata mea est.

Nulla fides ullo fuit umquam foedere tanta,

     quanta in amore tuo ex parte reperta mea est.

Geen  vrouw  kan  zeggen  dat  ze  waarlijk  zozeer  bemind  is

als mijn Lesbia bemind is door mij.

Geen trouw was ooit in enig verbond zo groot

als in de liefde voor jou van mijn kant gevonden is.

Deze slide heeft geen instructies

16.  Was sich liebt das neckt sich (92)

Lesbia mi dicit semper male nec tacet umquam

                de me: Lesbia me dispeream nisi amat.

quo signo? quia sunt totidem mea: deprecor illam

                assidue, verum dispeream nisi amo.

Lesbia scheldt altijd op mij en zwijgt nooit

over mij: ik mag sterven als Lesbia niet van me houdt.

Hoezo (lett.: door welk teken)? Omdat de mijne (mijn tekens) evenzoveel [zijn]: ik vervloek haar voortdurend, maar ik mag sterven, als ik niet van haar houd.

Deze slide heeft geen instructies

18.  Lesbia een slet? (58)

Caeli, Lesbia nostra, Lesbia illa.

illa Lesbia, quam Catullus unam

plus quam se atque suos amavit omnes,

nunc in quadriviis et angiportis

glubit magnanimi Remi nepotes.

Caelius, onze Lesbia, die Lesbia,

die Lesbia, die Catullus als enige

meer dan zichzelf en al de zijnen beminde,

zuigt nu op viersprongen en in steegjes

de kleinzonen van de fiere Remus af.

Deze slide heeft geen instructies