Unit 3 Flashback

Goodmorning!

- put your books, pen and device on the table

1 / 52
volgende
Slide 1: Tekstslide
EngelsMiddelbare schoolvmbo tLeerjaar 2

In deze les zitten 52 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Goodmorning!

- put your books, pen and device on the table

Slide 1 - Tekstslide

Lesson
  • Flashback/Catch up
  • homework


Slide 2 - Tekstslide

Today:
Alle grammatica uitleg herhalen:
1. tags
2. bezit
3. be going to
4. shall/will/won't
5. short answers
6. present simple <> present continuous

Slide 3 - Tekstslide

QUESTION TAGS
Grammar 15 (TB p. 93)

Slide 4 - Tekstslide

Slide 5 - Tekstslide

Stappenplan
Als de zin (voor de komma)  bevestigend is, is de tag question ontkennend.

Als de zin (voor de komma) ontkennend is, is de tag question bevestigend.
-

Slide 6 - Tekstslide

Staat er een hulpwerkwoord in: can - could - shall -     should - will- would - must - am - is - are - was - were - have (got)- has (got) - had (got) -do -does - did  
 
dan gebruik je deze in de tag question. 

She isn't happy, is she? 
Your mother has got a black car, hasn't she? 
Tom can swim, can't he? 


!
-

Slide 7 - Tekstslide

Is dit niet het geval, dan gebruik je:
don't : They play football, don't they
doesn't  (he/she/it): His sister  works as a nurse, doesn't she? 
als de zin in de Present simple (tegenwoordige tijd) staat

didn't: You went to the cinema, didn't you?  
als de zin in de Past simple(verleden tijd) staat

Slide 8 - Tekstslide

Slide 9 - Tekstslide

Kies steeds de juiste tag question:

She will travel to Spain,......?
A
will she
B
doesn't she
C
won't she
D
isn't she

Slide 10 - Quizvraag


He likes ice cream,.......?
A
does he
B
isn't he
C
won't he
D
doesn't he

Slide 11 - Quizvraag


You did your homework, ... ?
A
didn't you
B
did you
C
do you
D
don't you

Slide 12 - Quizvraag


That tower isn't really haunted, ...........?
A
is it?
B
does it?
C
isn't it?
D
doesn't it?

Slide 13 - Quizvraag


My friends bought a giant pizza, ............
A
liken't they?
B
don't my they?
C
aren't they?
D
didn't they?

Slide 14 - Quizvraag


You really don't like him, ..........?
A
don't you
B
do you
C
will you
D
don't they

Slide 15 - Quizvraag


He is your friend, .............?
A
isn't he
B
is he
C
toch
D
nietwaar

Slide 16 - Quizvraag

Grammar: possesive pronouns

Je gebruikt bezittelijke voornaamwoorden om aan te geven van wie iets is. Je kunt vaak op twee manieren zeggen dat iets van jou of iemand anders is. 

Slide 17 - Tekstslide

Bezittelijke voornaamwoorden
My                ik                          My first name is  Ineke.
Your             jouw/uw            Your birthday is on 18 April.
His               zijn                       His phone number is 0612594281.
Hers            haar                     Her bike is in the garage.
Its                 zijn/haar            Its name is  Lando.
Ours            ons/onze           Our surname is Koolen.
Your             jullie, uw            Your friends are very nice.
Their           hun                       Their birthday is on 20 June.

Slide 18 - Tekstslide

Bezittelijke voornaamwoorden

Slide 19 - Tekstslide

Verschil

De eerste vorm van deze bezittelijke voornaamwoorden wordt in een zin bijvoeglijk gebruikt.


Is this your pen?


'your' zegt iets over het zelfstandig naamwoord 'pen'.

Slide 20 - Tekstslide

Verschil

Kijk naar deze twee zinnen.


Is this your pen or is it my pen?


Is this your pen or is it mine?


Beide zinnen betekenen hetzelfde ( het gaat over wiens pen het is)

MAAR......



Slide 21 - Tekstslide

Verschil

........MAAR

Is this your pen or is it my pen?


Is this your pen or is it mine?


Zie je hoe "my pen" in de eerste zin wordt vervangen door "mine" ? Dat is wat bedoeld wordt met "Vervangen van een eerder genoemd zelfstandig naamwoord."





Slide 22 - Tekstslide

This book is__________
A
of hers
B
hers
C
she
D
her

Slide 23 - Quizvraag

This isn't _______
A
Of mine
B
My
C
I
D
mine

Slide 24 - Quizvraag

Is that ______car over there?
A
Of yours
B
Yours
C
you
D
your

Slide 25 - Quizvraag

The new car over there is ___, isn't it?
A
yours
B
your
C
of yours
D
you

Slide 26 - Quizvraag

"TO BE GOING TO"

Slide 27 - Tekstslide

To be going to (+)

Slide 28 - Tekstslide

(?)To be going to

Slide 29 - Tekstslide

Gebruik to be going to:
She ______video games. (to play)

A
To be going to play
B
Be going to play
C
Going to play
D
Is going to play

Slide 30 - Quizvraag

To be going to
I'm____fix it today
A
going not to
B
going to not
C
not going to
D
to not going

Slide 31 - Quizvraag

They........to the cinema
A
going to
B
are going
C
is going
D
are going to be

Slide 32 - Quizvraag

Tonight _____ so much fun!
A
is going to be
B
going to be
C
had been
D
was

Slide 33 - Quizvraag

MAAK DE ZIN AF:
Donny ... be at the start-up meeting.
A
is going to
B
am going to
C
are going to
D
be going to

Slide 34 - Quizvraag

MAAK DE ZIN AF:
... Donny and Jess ... be friends?
A
Are .... going to
B
Is .... going to
C
Am .... going to
D
Be .... going to

Slide 35 - Quizvraag

Grammar - 'Will'
Hoe pas je 'will' toe?
Vorm: will + het hele werkwoord (is de handeling die je wilt gaan doen)
There will be lots of sunshine tomorrow
I will carry that for you
Our guests will arrive around ten o'clock
Wanneer gebruik je 'will'
  • wanneer je spontaan iets voorstelt (I will get the door!)
  • om te voorspellen wat er zal gaan gebeuren
  • om aan te bieden iets te doen
  • om iets te zeggen over de toekomst - maar er is nog geen vooropgezet plan/je hebt geen bewijs

Slide 36 - Tekstslide

Grammar - 'Will'

There won't be lots of sunshine tomorrow
I won't carry that for you
Our guests won't arrive around ten o'clock
Will you help me look for my keys?
Shall I open the door for you?
Shall we bring them some chocolate?

Ontkenningen
Als je wilt zeggen dat iets NIET zo is. Dan plak je het woordje 'not' achter will. Will + not = won't. De vorm wordt dan won't + hele werkwoord (de handeling die je NIET wilt gaan doen).

(Note: will not helemaal uitgeschreven gebruik je bijna nooit)
Vraagzinnen
  • Bij vragen gebruik je het woordje 'shall' als het om 'I' (=ik) en 'we' (=wij) gaat. De formule is dan: Shall + I of we + hele werkwoord.
  • In alle andere gevallen zet je het woordje 'will' vooraan in de zin. De formule wordt dan: will + persoon + hele werkwoord.

Slide 37 - Tekstslide

Om iets te zeggen over de toekomst moet je will + ____________ gebruiken.
A
Het hele werkwoord
B
Shall
C
Het onderwerp
D
Won't

Slide 38 - Quizvraag

Grammar: short yes/no answers

Slide 39 - Tekstslide

Short answers.
Is she here?
No, she isn't.

Do you like that movie?
Yes, I do.

Slide 40 - Tekstslide

Short yes/no answers
Do you like pizza? Yes, I do! / No, I don't.
Can they come over today? Yes, they can. / No, they can't.

You repeat the first verb from the sentence.

Slide 41 - Tekstslide

Are you going to the concert tomorrow?
A
No, I can't.
B
Yes, I am.
C
No, she isn't.

Slide 42 - Quizvraag

Can you buy the tickets today?
A
Yes, I am.
B
Yes, I can.
C
Yes, I have.

Slide 43 - Quizvraag

Do you have a new coat?
A
Yes, I do.
B
No, I can't.
C
No, he isn't.

Slide 44 - Quizvraag

Present simple & present continuous

Slide 45 - Tekstslide

Present simple
Present Continuous

Slide 46 - Tekstslide

My sister ............................ a film with her friends in her bedroom.
A
is watching
B
watches
C
was watching

Slide 47 - Quizvraag

He ............................ money with a job at the supermarket.
A
is making
B
makes
C
was making

Slide 48 - Quizvraag

The oven .............., I .............. to take the cake out!
A
bleeps, am having
B
is bleeping, have
C
bleeps, have

Slide 49 - Quizvraag

Homework
BB: FlashBack
KB/TL/H: Catch up

online of werkboek
leren Unit 3 (check ook quizlet)
volgende les oefentoets via Lessonup

Slide 50 - Tekstslide

Slide 51 - Link

Slide 52 - Tekstslide