Herhaling thema 14

Herhaling thema 14
1 / 44
volgende
Slide 1: Tekstslide
BiologieMiddelbare schoolvmbo t, mavoLeerjaar 4

In deze les zitten 44 slides, met tekstslides en 7 videos.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

Herhaling thema 14

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Ingeademde lucht en uitgeademde lucht

Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Functies slijmvlies (keel en neus)
  1. De ingeademde lucht wordt schoner, doordat stofjes en bacteriën in het slijm plakken.
    Dit slikt je uiteindelijk door. 
  2. De ingeademde lucht wordt opgewarmd. 
  3. De ingeademde lucht wordt vochtig.

Slide 3 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

De huid

Slide 4 - Tekstslide

Doorsnede van de huid met wat meer onderdelen.
Delen van de huid

Lederhuid: met zintuigen, zenuwen, haarspiertjes, bloedvaten en klieren

Slide 5 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Oefenvraag
Uit de uitleg moet blijken dat de huid het lichaam afkoelt door
zweetproductie / het verwijden van bloedvaten. 

Slide 6 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Afkoelen
  • De bloedvaten in je huid worden wijder= meer bloed. Via de huid gaat de warmte uit het bloed naar de omgeving. Daardoor koel je af.

  • Zweetklieren in je huid maken zweet. Als dat zweet op je huid verdampt, dan koelt de huid af.

Slide 7 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Doorbloeding
De huid heeft een belangrijke functie in de doorbloeding van het lichaam. De bloedvaten in de huid zorgen voor de aanvoer van zuurstof en voedingsstoffen en de afvoer van afvalstoffen.

Slide 8 - Tekstslide

Leg uit wat de rol van de huid is in de doorbloeding van het lichaam.
Zweetklieren
De zweetklieren produceren zweet, vooral als je het warm hebt. Door verdamping van zweet koelt je lichaam ook weer af. 

Slide 9 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Ademhaling
Borstademhaling
Buikademhaling
Gewone ademhaling

Slide 10 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Ademhaling
Borstademhaling; ademhalen door beweging van je ribben.
Buikademhaling; ademhalen door beweging van je middenrif.

"normale" ademhaling is een combinatie van borst- en buikademhaling.

Slide 11 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Ademhalingsspieren
= spieren die je gebruikt bij het ademhalen 
  • Middenrif
  • Buikspieren
  • Tussenribspieren
  • Spieren b/h sleutelbeen (als je diep inademt

Slide 12 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Ademhalen

Slide 13 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Diepe ademhaling

Slide 14 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Nieren

Slide 15 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Het bloed in de nierslagader bevat afvalstoffen van veel organen.

De nieren halen deze afvalstoffen uit het bloed.

Door de nieraders stroomt het gezuiverde bloed weg uit de nieren.

Slide 16 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

De nieren

Slide 17 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Inwendig en uitwendig milieu

Slide 18 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Inwendig en uitwendig milieu.
Alles wat buiten je lichaam zit noem je het uitwendig milieu. 

Als je goed kijkt zie je dat je verteringstelsel voor een groot deel ook uitwendig is. Het is pas inwendig als het door een barrière heen is. 

Slide 19 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

inwendig milieu | uitwendig  milieu

Slide 20 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

In- en uitwendig milieu
Je inwendige milieu is je weefselvloeistof en bloedplasma.
  • Stoffen kunnen worden opgenomen
  • Stoffen kunnen worden uitgescheiden
  • Stoffen kunnen worden opgeslagen
  • Zo blijft het inwendige milieu min of meer constant.

Slide 21 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Opname
In het inwendige milieu mag geen tekort aan stoffen ontstaan. 
Daarom neemt het lichaam stoffen op uit het uitwendige milieu.

bijvoorbeeld: 
  • voedingsstoffen worden uit het darmkanaal (uitwendig milieu) opgenomen in het bloed (inwendig milieu). 
  • Zuurstof wordt uit de longen opgenomen in het bloed.

Slide 22 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Opname, opslag en uitscheiding
Samenvatting 
  • Opname:
  • Stoffen uitwendig milieu toevoegen aan inwendig milieu. Voorkomt tekort aan stoffen.
  • Opslag
  • Overtollige stoffen uit inwendig milieu onttrekken en opslaan in lichaam. Voorkomt schade aan lichaam. Behoud nuttige stoffen voor later gebruik.
  • Uitscheiding
  • Overtollige stoffen uit inwendig milieu onttrekken en verwijderen uit lichaam. Voorkomt schade aan lichaam. De stoffen zijn doorgaans niet herbruikbaar.
  • Poepen niet! (uitwendig naar uitwendig)
  • Door opname, opslag en uitscheiding van stoffen blijft de samenstelling van het inwendige milieu min of meer constant (gelijk) (zie afbeelding). 

Slide 23 - Tekstslide

Uitscheiding:
Overtollige stoffen uit inwendig milieu onttrekken en verwijderen uit lichaam.
Voorkomt schade aan lichaam
De stoffen zijn doorgaans niet herbruikbaar
Kenmerken Astma
- Allergisch astma, niet- allergisch astma, inspanningsastma en ernstig astma.
- Benauwdheidsaanvallen heten asthma bronciale; plotselinge samentrekking van de bronchusspiertjes.
- Gevolg: benauwdheid met piepende ademhaling en hoesten.
- Oorzaken: afhankelijk van de soort astma, voorbeelden; huisdieren, huisstofmijt, voedingsmiddelen. 

Slide 24 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Onderzoek in 6 stappen (biologie)
Onderzoeksvraag – Wat wil je onderzoeken?
Hypothese – Wat denk je dat het antwoord is?
Werkplan – Hoe ga je het onderzoek uitvoeren?
Uitvoering – Je voert het onderzoek uit.
Resultaten – Wat heb je waargenomen of gemeten?
Conclusie – Wat is het antwoord op de onderzoeksvraag?

Slide 25 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Onderzoeksvraag
Wanneer is een onderzoeksvraag goed?
  • Een onderzoeksvraag bevat: hoe, welke of waarom?.
  • De onderzoeksvraag kan een hypothese over gevormd worden en is onderzoekbaar.
  • Een onderzoeksvraag kun je niet beantwoorden met 'ja' of 'nee'. 

Slide 26 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Onderzoeksvraag
In een onderzoeksvraag is een vraag die je wil gaan beantwoorden met je onderzoek.

Wat is een goede onderzoeksvraag?

Slide 27 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Geelzucht - bilirubine
Een te hoge hoeveelheid afvalstoffen (galkleurstoffen) in het bloed.
Bilirubine is een afvalproduct van hemoglobine (zit aan de rode bloedcellen). Bilirubine geeft ontlasting de bruine kleur. Als de lever niet goed werkt, hoopt bilirubine op in het lichaam en word je geel: geelzucht.

 

Slide 28 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Geelzucht
  • De lever breekt rode bloedcellen af als ze oud zijn
  • De hemoglobine in de rode bloedcellen bevat ijzer, wat kleur geeft aan het bloed. Als je hemoglobine afbreekt krijg je de stof billirubine, wat wordt afgevoerd via gal.
  • Als de lever niet goed werkt komt er billirubine in het bloed
  • Dit verspreid zich door het lichaam en geeft een gele kleur
  • Geelzucht geeft dus aan dat iemands lever niet goed meer werkt

Slide 29 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Bron 25: Vuursalamanders 
Onze meest spectaculaire salamander, de vuursalamander, verkeert in nood en dreigt de eerste amfibie te worden die deze eeuw in Nederland uitsterft.
De vuursalamander (Salamandra salamandra) is in Nederland de enig voorkomende landsalamander. Vuursalamanders leven in de vochtige loofbossen met bronbeekjes van Zuid-Limburg. Het voedsel van de volwassen vuursalamander bestaat vooral uit wormen en naaktslakken. Ook sommige geleedpotigen staan op het menu, vooral de wat tragere dieren zoals miljoenpoten, pissebedden en rupsen. De larven van de vuursalamander leven hoofdzakelijk van kleine algen-etende watervlooien. Er is niet veel bekend over natuurlijke vijanden van de volwassen vuursalamander. Oudere exemplaren zijn waarschijnlijk te giftig om door andere dieren gegeten te worden. Jongere exemplaren zijn nog niet zo giftig en vormen een prooi voor loopkevers. De larven van de vuursalamander worden gegeten door de beekforel, libellenlarven, waterkevers en de waterspitsmuis.


Slide 30 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Eten en ademen bij dieren
Hoe ademen kikkers tijdens hun leven?

  • Amfibieën (kikkers en salamanders) > Ademen op twee manieren!
    - Huid & kieuwen (jonge amfibieën)         
    huid & longen (volwassen amfibieën)

    - Hebben een hele dunne huid, zuurstof gaat door de huid
      > direct in het bloed
    - Jonge amfibieën leven in het water, hebben kieuwen
      > buiten het lichaam
    - Volwassen amfibieën hebben ook longen (net als de mens)

Slide 31 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

LONGEN
Amfibieën zoals kikkers en salamanders zijn ook koudbloedig. 
Jonge amfibieën hebben kieuwen. Als ze volwassen worden, ontwikkelen zich bij de meeste amfibieën de longen. Deze longen zijn nog eenvoudiger dan de longen van reptielen. 

Dat komt doordat amfibieën ook kunnen ademhalen door de huid. De huid van amfibieën is bedekt met een slijmlaag. Onder de huid stromen veel kleine bloedvaatjes. Via de huid nemen amfibieën zuurstof op uit de lucht en geven er koolstofdioxide aan af. 

Slide 32 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

urineweg
Bij een nierbekkenontsteking is de wand van een nierbekken ontstoken. Dit kan worden veroorzaakt door bacteriën die via de urinewegen van buiten het lichaam zijn gekomen.

Slide 33 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Afval in je lichaam
Uitscheidingsorganen:

-longen
- huid
- lever
- nieren

Slide 34 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Longemfyseem
  • De wanden van de longblaasjes zijn beschadigd
  • Kunnen dus niet goed aan gaswisseling doen
 

Slide 35 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Longemfyseem
Longblaasjes gaan stuk
Minder zuurstof naar het bloed
Benauwd

COPD; verzamelnaam voor chronische longziekten zoals bronchitis en longemfyseem.

Slide 36 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Dolfijnen hebben geen kieuwen
In plaats daarvan hebben ze longen, net als zoogdieren op het land. Het blaasgat van een dolfijn. Dolfijnen ademen door een blaasgat dat zich boven op hun hoofd bevindt. Ze moeten regelmatig naar de oppervlakte van het water komen om lucht in te ademen. Dit is anders dan vissen, die via kieuwen zuurstof uit. het water halen.

Slide 37 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 38 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Slide 39 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Slide 40 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Slide 41 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Slide 42 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Slide 43 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Slide 44 - Video

Deze slide heeft geen instructies