V2 H4.3 Nederland in 1848

4.3 Nederland in 1848
1 / 36
volgende
Slide 1: Tekstslide
GeschiedenisMiddelbare schoolvwoLeerjaar 2

In deze les zitten 36 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

4.3 Nederland in 1848

Slide 1 - Tekstslide

Planning
  • Week 9: uitleg 4.3 & werken aan de PO
  • week 10: uitleg 4.4 en werken aan de PO
  • week 11: uitleg 4.5 en werken aan de PO
  • week 12: toetsweek. Geen toets voor geschiedenis, maar po! 

Slide 2 - Tekstslide

Vandaag
  • Korte quiz over terugblik 4.1 en 4.2 
  • uitleg over een grondwet ahv werkblad
  • Uitleg paragraaf 4.3
  • quiz
  • Werken aan de PO 

Slide 3 - Tekstslide

Slide 4 - Link

Slide 5 - Link

In deze paragraaf:
  • Je kunt enkele belangrijke kenmerken noemen van het Koninkrijk der Nederlanden tussen 1815 en 1848.
  • Je kunt uitleggen welke idealen de liberalen hadden op politiek gebied.
  • Je kunt uitleggen waarom er in 1848 een nieuwe grondwet kwam.

Slide 6 - Tekstslide

Welk land begon de industriele revolutie
A
Belgie
B
Nederland
C
Engeland
D
Amerika

Slide 7 - Quizvraag

Waarom begon de Industriele revolutie juist in Engeland?
A
In Engeland was er honger.
B
In Engeland woonde een koning.
C
Engeland werd als eerst rijk door kolonies.
D
Engeland had het beste klimaat.

Slide 8 - Quizvraag

De industriele revolutie is gestart in Engeland.
Vòòr de industriele revolutie was kende Engeland (en alle West-Europese landen) een...
A
landbouwsamenleving
B
landbouw-stedelijke samenleving
C
een stedelijke samenleving
D
Geen van de genoemde antwoorden is juist.

Slide 9 - Quizvraag

Door de Industriële Revolutie veranderde de samenleving. De samenleving werd nu opgedeeld in verschillende ...?... - op basis van hoeveel kapitaal je bezit.
A
Standen
B
Rangen
C
Klassen
D
Kasten

Slide 10 - Quizvraag

Waarom kwamen veel arbeiders niet in opstand tegen hun slechte werkomstandigheden?
A
Ze waren bang ontslagen te worden.
B
Ze werden bedreigd met lijfstraffen.
C
Ze moesten zoveel werken dat ze daar geen puf voor hadden.
D
Hun baas was meestal een kennis/vriend, dat deed je niet.

Slide 11 - Quizvraag

Koninkrijk der Nederlanden
Verschillende Nederlandse staten:

  • 1588-1795 Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden
  • 1795-1801 Bataafse Republiek
  • 1801-1806 Bataafs Gemenebest
  • 1806-1810 Koninkrijk Holland
  • 1810-1813 Onderdeel van Frankrijk
  • 1813-1815 Soeverein Vorstendom der Verenigde Nederlanden
  • 1815-heden Koninkrijk der Nederlanden

Slide 12 - Tekstslide

Koninkrijk der Nederlanden
1815:  Slag bij Waterloo > Napoleon verslagen. 
1814-15:  Congres van Wenen:
              Overwinnaars maakten nieuwe grenzen.
 
Waren conservatief:
  • Tegen nieuwe revolutionaire ideeën over vrijheid, gelijkheid en broederschap. 
  • Wilden Restauratie.

+ een sterke staat ten noorden van Frankrijk.

Slide 13 - Tekstslide

Koninkrijk der Nederlanden
1795:  Stadhouder Willem V vlucht naar Engeland.
1813:  Willem VI keert terug.

1815: Koninkrijk der Nederlanden:
  • Koning Willem I 
  • Bestond uit Nederland, België en Luxemburg.
  • Eenheidsstaat
1830: Belgische Opstand. België wordt onafhankelijk.

Slide 14 - Tekstslide

De regering van koning Willem I
1815: Constitutionele monarchie
Koning is gebonden aan de regels van de grondwet.

Koning Willem I (1815-1840):
  • Alleenheerser. 
  • Hij was conservatief. Tegen politieke verandering (ideeën over inspraak en vrijheid).

Het koninkrijk was geen democratie.

Slide 15 - Tekstslide

Slide 16 - Tekstslide

Slide 17 - Tekstslide

Koninkrijk der Nederlanden
Nederlandse economie in de eerste helft van de 19e eeuw
  • landbouw
  • handel
  • andere niet-industriële activiteiten
Geen grootschalige industrie. Geen grote klasse van fabrieksarbeiders, maar veel armoede.
Armen waren afhankelijk van liefdadigheid (kerken en deel v/d rijke burgers). Overheid bood geen hulp.

Slide 18 - Tekstslide

Koninkrijk der Nederlanden
Noord-Nederland (NL nu) was arm en onderontwikkeld >> Zuiden (België nu) was aan het industrialiseren. 

Koning Willem I wilde de economie nieuw leven inblazen >> bijnaam: Koning Koopman
Infrastructuur werd verbeterd. 
  • kanalen
  • wegen
  • spoorwegen
1839:  eerste stoomtrein Haarlem-Amsterdam.

Slide 19 - Tekstslide

Uit welke huidige landen bestond het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden in 1815?
A
België, Noord-Frankrijk, Nederland
B
Köln, Luxemburg, Nederland
C
België, Luxemburg, Nederland
D
Nederland, België en Limburg

Slide 20 - Quizvraag

Wat hoort bij een constitutionele monarchie?
A
absolutisme
B
dictatuur
C
macht van de koning wordt beperkt door de grondwet
D
macht van de koning wordt beperkt door de adel

Slide 21 - Quizvraag

Zet in de juiste chronologische volgorde (oud en nieuw)
1) Belgische Opstand leidde tot de Belgische afscheiding van Nederland
2) Eerste stoomtrein tussen Haarlem en Amsterdam
3) Napoleon verslagen bij Waterloo
4) Willem I wordt koning van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden
A
1, 3, 4, 2
B
1, 4, 2, 3
C
3, 1, 4, 2
D
3, 4, 1, 2

Slide 22 - Quizvraag

Hoe bestuurde Willem I de Nederlanden?
A
Willem I was een vorst die vooral samenwerkte met het parlement om de wetten te maken.
B
Willem I was geïnspireerd door de Verlichting en bestuurde op deze manier.
C
Willem I regeerde als autocraat, hij had praktisch alle macht in handen.
D
Willem I hield rekening met de Trias Politica in zijn bestuur. Dat vond hij belangrijk.

Slide 23 - Quizvraag

In deze paragraaf:
  • Je kunt enkele belangrijke kenmerken noemen van het Koninkrijk der Nederlanden tussen 1815 en 1848.
  • Je kunt uitleggen welke idealen de liberalen hadden op politiek gebied.
  • Je kunt uitleggen waarom er in 1848 een nieuwe grondwet kwam.

Slide 24 - Tekstslide

Weerstand op het bestuur
Willem I was praktisch alleenheerser >> conservatieven in de regering en parlement vonden dat prima.
Maar de liberalen vonden het maar niks >> waar waren de idealen van de Verlichting en de revoluties gebleven?

Slide 25 - Tekstslide

Monarchie is een goede vorm van regering?
Liberaal of conservatief
A
Liberaal
B
Conservatief

Slide 26 - Quizvraag

Een stakingsverbod is goed voor de bedrijven.
Liberaal of conservatief?
A
Liberaal
B
Conservatief

Slide 27 - Quizvraag

Alleen de gegoede burgerij moet mogen stemmen.
Liberaal of conservatief?
A
Liberaal
B
Conservatief

Slide 28 - Quizvraag

Mensen mogen zelf bepalen waar ze in geloven.
Liberaal of conservatief?
A
Liberaal
B
Conservatief

Slide 29 - Quizvraag

Koning Willem II
1840: Thorbecke komt langs met een voorstel voor een liberale grondwet.

Slide 30 - Tekstslide

Koning Willem II
1840: Thorbecke komt langs met een voorstel voor een liberale grondwet.

Slide 31 - Tekstslide

Slide 32 - Tekstslide

Slide 33 - Tekstslide

1848: Nieuwe grondwet o.l.v. Thorbecke
  • Grondrechten
  • Parlement meer macht (goedkeuren + mocht ministers ontslaan)
  • Koning minder macht >> macht nu bij parlement
  • Ministeriële verantwoordelijkheid
  • Elke 4 jaar verkiezingen --> d.m.v. censuskiesrecht
    Zo werd Nederland een parlementaire democratie.

Slide 34 - Tekstslide

In 1848 werd Nederland echt democratisch!
0100

Slide 35 - Poll

Conservatief

  •  "Conservare"= bewaren
  • Alles bij het oude laten (liefst de tijd voor de Franse Revolutie)
  • Geen invloed van het volk
  • Streven naar rust en orde
Liberaal
Politiek: 
  • "Libertas" = vrijheid
  • Baseerden zich op de vrijheden (grondrechten) van de Franse Revolutie.
  • Parlement meer invloed + meer kiesrecht (censuskiesrecht).
Economie:
  • Handel en industrie zoveel mogelijk met rust laten (zo min mogelijk regels - Adam Smith).
  • Overheid moet zich niet met de economie bemoeien, maar zich richten op de veiligheid.

Slide 36 - Tekstslide