7.3 De Belastingdienst

KNM
thema 7
Instanties
1 / 22
volgende
Slide 1: Tekstslide
knmVoortgezet speciaal onderwijsLeerroute 1

In deze les zitten 22 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

KNM
thema 7
Instanties

Slide 1 - Tekstslide

Wat leer je deze les?
Aan het eind van deze les kun je antwoord geven op de volgende vragen:
1. Wie moet er in Nederland belasting betalen?
2. Wat betekent 'aangifte doen'?
3. Wat heb je nodig om aangifte te doen?
4. Wat betekent 'betalen in termijnen'?
5. Welke toeslagen zijn er?
6. Welke gemeentebelastingen zijn er?
7. Wat betekent 'kwijtschelding'? 


Slide 2 - Tekstslide

7.3 De Belastingsdienst
luister hier

Slide 3 - Tekstslide

De belastingaangifte
luister hier

Slide 4 - Tekstslide

Geld terugkrijgen of betalen
luister hier

Slide 5 - Tekstslide

Toeslagen
luister hier

Slide 6 - Tekstslide

Toeslagen
luister hier

Slide 7 - Tekstslide

Gemeentebelasting
luister hier

Slide 8 - Tekstslide

Gemeentebelasting -kwijtschelding
luister hier

Slide 9 - Tekstslide

De woorden van 7.3
(met voorbeeldzin)
de belastingaangifte
Als je belastingaangifte doet, vul je online gegevens in over je geld.
Vanaf 1 maart kun je belastingaangifte doen via de site van de Belastingdienst.

het burgerservicenummer (BSN) 
een persoonlijk nummer dat je krijgt van de overheid
Ik moet mijn burgerservicenummer invullen op al deze formulieren.

de gift 
geld dat je geeft
Er staat iemand voor de deur. Ze vraagt een gift voor een vereniging die kinderen met een erge ziekte helpt.

Slide 10 - Tekstslide

De woorden van 7.3
(met voorbeeldzin)
de inkomsten
 het geld dat je elke maand krijgt, bijvoorbeeld omdat je werkt
Nova heeft een weinig inkomsten. Ze werkt maar twee dagen per week.
in termijnen
 niet alles in één keer, maar iedere keer een beetje
Ik kan de auto in termijnen betalen. Ik betaal dan elke maand €500,-.
Na 12 maanden ben ik klaar.
de jaaropgaaf
 een papier met je loon van één jaar
Op mijn jaaropgaaf staat dat ik dit jaar € 12.000,- heb verdiend.

Slide 11 - Tekstslide

De woorden van 7.3
(met voorbeeldzin)
de kinderopvang
een plek waar kinderen overdag kunnen spelen en leren, als ze niet naar school gaan
Er zijn verschillende soorten kinderopvang, bijvoorbeeld een kinderdagverblijf of buitenschoolse opvang.
het kindgebonden budget
extra geld dat je krijgt om de opvoeding van je kind te betalen
Sven verdient weinig. Hij krijgt daarom niet alleen kinderbijslag, maar ook een kindgebonden budget.


Slide 12 - Tekstslide

De woorden van 7.3
(met voorbeeldzin)
de kwijtschelding
Als je kwijtschelding krijgt, hoef je iets niet te betalen of niet te doen.
Dmetri vraagt kwijtschelding van de gemeentebelasting aan. Dan hoeft hij de belasting niet te betalen.
het riool
buizen onder de grond, waar bijvoorbeeld water uit de wc in komt
Een monteur is bezig met het riool. Het deksel is eraf. Dat stinkt!
de toeslag
 geld dat je kunt krijgen van de Belastingdienst, als je niet veel verdient
Ik kan mijn ziektekosten niet betalen. Ik heb zorgtoeslag aangevraagd.

Slide 13 - Tekstslide

De woorden van 7.3
(met voorbeeldzin)
de uitgave 
geld dat je betaalt, bijvoorbeeld je huur
Francis heeft deze maand veel uitgaven gedaan. Ze heeft een nieuwe tafel met vier stoelen gekocht.
de verzekering
 Het contract met een verzekeringsmaatschappij. Je betaalt elke maand geld en je krijgt geld, als het nodig is.  
Bijvoorbeeld als iets kapot of gestolen is, of als je ziek bent. 
Ik moet naar de oogarts. Gelukkig heb ik een goede zorgverzekering. Ik hoef dus niets te betalen.

Slide 14 - Tekstslide

Wie moet er in Nederland belasting betalen?

Slide 15 - Open vraag

Als je belastingaangifte doet, vul je jouw persoonlijke gegevens, informatie over je inkomsten, je spaargeld en over jouw kosten in op de website van de Belastingdienst.
A
waar
B
niet waar

Slide 16 - Quizvraag

Wat betekent: betalen in termijnen?

Slide 17 - Open vraag

Noem 4 toeslagen.

Slide 18 - Open vraag

Rioolbelasting is een voorbeeld van gemeentebelasting.
A
waar
B
niet waar

Slide 19 - Quizvraag

Wat betekent kwijtschelding?

Slide 20 - Open vraag

Typ 3 dingen die je deze les hebt geleerd.

Slide 21 - Open vraag

Typ hier een vraag over iets wat je nog niet helemaal hebt begrepen.

Slide 22 - Open vraag