A. Retail & Styling

Onderdeel A
Retail & Styling
1 / 33
volgende
Slide 1: Tekstslide
Economie & OndernemenMiddelbare schoolvmbo b, kLeerjaar 4

In deze les zitten 33 slides, met tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Onderdeel A
Retail & Styling

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Klantonderzoek
= een onderzoek waarbij een bedrijf vraagt wat klanten van het bedrijf vinden.

Het gaat om vragen zoals:
“Ben je tevreden?” “Wat kan beter?” “Zou je ons aanbevelen?”

Bedrijven gebruiken de resultaten om:
  • hun service te verbeteren
  • klachten te verminderen
  • en klanten blij te maken


Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Voorbeeld klantonderzoek
Snackbar De Smikkelhoek 🍟
De snackbar merkt dat het steeds drukker wordt, maar ook dat sommige klanten klagen over wachttijd.
Ze doen een klantonderzoek:
Klanten vullen een korte vragenlijst in.
Ze geven een cijfer voor smaak, prijs, wachttijd en vriendelijkheid.
Veel klanten zeggen: “Het eten is lekker, maar we moeten soms lang wachten.”

Wat doet de snackbar?
→ Ze zetten een extra medewerker in op drukke tijden.
→ En ja hoor: klanten zijn daarna veel tevredener.

Slide 3 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

De marketinginstrumenten

Slide 4 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

🧩 Marktonderzoek
= een onderzoek waarbij een bedrijf uitzoekt wat klanten willen en nodig hebben.

Het helpt bedrijven bij vragen zoals:
“Waar heeft de klant behoefte aan?”
“Wat vindt de klant belangrijk?”
“Hoe kunnen we ons product of dienst verbeteren?”

Doel:
→ klanten beter begrijpen
→ betere keuzes maken
→ meer verkopen of beter inspelen op behoeften

Slide 5 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Vormen van marktonderzoek
1. Enquêtes / vragenlijsten
Klanten vullen vragen in over hun mening, wensen of gewoontes.
2. Interviews
Een kort gesprek met een klant om dieper door te vragen.
3. Observatie (kijken naar gedrag)
Bijvoorbeeld: kijken hoe klanten zich gedragen in een winkel.
4. Testpanel / proefpersonen
Mensen testen een product en vertellen wat ze ervan vinden.
5. Online onderzoek
Kijken naar reviews, reacties op social media of website-statistieken.
6. Concurrentieonderzoek
Kijken wat andere bedrijven doen: prijzen, acties, producten, service.

Slide 6 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

⭐ Voorbeeld marktonderzoek
Kapsalon Knip & Style 💇‍♀️
De kapsalon wil weten of klanten nieuwe haarbehandelingen willen.

Ze doen marktonderzoek:
een korte enquête in de salon,
observatie: welke behandelingen worden het meest gekozen,
online reviews bekijken,
interview met vaste klanten.

Uitkomst:
Veel klanten willen snellere behandelingen en goede aanbiedingen.
→ De kapsalon maakt een “20‑minuten snel-knip” en een maandactie.
→ Resultaat: meer klanten, meer tevredenheid.

Slide 7 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Consumentenprijs
De consumentenprijs is de prijs die jij betaalt voor een product in de winkel.


Slide 8 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Consumentenprijs





Bereken de consumentenprijs. 
Antwoord = €798,60
Inkoopprijs                                                 
Brutowinstopslag 25%                                     
Verkoopprijs                                               
Btw 21%                                                               
Consumentenprijs                                    
€ 528
€ ........
€ ........
€ ........
€ ........

Slide 9 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Doelgroep
De doelgroep bestaat uit de klanten op wie het bedrijf zich richt. 

Slide 10 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat is de doelgroep?

Slide 11 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Marktpositie
De positie die een bepaald bedrijf inneemt in de markt t.o.v. de concurrenten.

Slide 12 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Marktpositie

Slide 13 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Het assortiment 

Kernassortiment = De belangrijkste artikelen die een winkel verkoopt, waar de meeste consumenten voor komen. ​


Randassortiment = Dit zijn de artikelen/productgroepen die de winkel als aanvulling op het kernassortiment heeft. ​


Slide 14 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Breed assortiment: veel verschillende productgroepen.​
Diep assortiment: van elk product meerdere varianten.​
Consistent assortiment: productgroepen die bij elkaar

Slide 15 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Soorten artikelen
  1. Standaardartikelen
  2. Rand- en nevenartikelen (behoort niet tot het kernassortiment)
  3. Complementaire artikelen
  4. Concurrende artikelen
  5. Follow-up artikelen
  6. Prijsaanbiedingen
  7. Rage-artikelen
  8. Impulsartikelen
  9. Nieuwe artikelen

Slide 16 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Complementair vs follow up
- Complementair artikel
Artikel dat je 'erbij' verkoopt. Riem bij een spijkerbroek bijvoorbeeld. Dit artikel is niet genoodzaakt. 

- Follow-up artikel 
Artikel dat nodig is om het hoofdartikel te kunnen gebruiken. Bijvoorbeeld stofzuigerzakken bij een stofzuiger.


Slide 17 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Follow-up artikelen
= speciaal soort complementair artikel. Het is een artikel dat nodig is om het hoofdartikel te kunnen gebruiken.

Denk aan een opzetborstel bij een elektrische tandenborstel
of koffiefilters die nodig zijn bij een koffiezetapparaat.

Slide 18 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Concurrende artikelen
= Een artikel dat je verkoopt naast artikelen die heel erg erop lijken.

Een voorbeeld kan zijn een camera,
maar ook meerdere merken 
shampoo of verschillende
merken spijkerbroeken.

Slide 19 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Impulsartikelen
= Een artikel dat je in een opwelling koopt, zonder dat je het van tevoren van plan was.

Denk aan artikelen op het display bij
de kassa, waarop bijvoorbeeld
snoep en chocoladerepen staan.
Of bakken met artikelen in het gangpad
of bij de winkelingang.

Slide 20 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Rage-artikelen
= Een artikel dat inhaakt op een bepaalde rage. Een rage is iets dat in korte tijd heel erg populair wordt.

Een voorbeeld is Frozen.
Een Disney-film die erg populair is.
Er worden verschillende artikelen verkocht met 
de figuren uit de film erop.

Slide 21 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Retailformule
"Een retailformule is hoe een winkel zich onderscheidt van andere winkels door de inzet van verschillende elementen zoals: marktconcept, strategie, imago sfeer & huisstijl"

Slide 22 - Tekstslide

4. Inclusieve didactiek
De docent past diverse strategieën toe om de betrokkenheid van alle leerlingen te garanderen. Door regelmatig het begrip van de lesstof te controleren en zo nodig de uitleg aan te passen, blijft de stof toegankelijk voor iedereen. Flexibele en heterogene differentiatie ondersteunt dit proces. Interactie in de klas wordt versterkt door het gebruik van thuistalen. Verder creëert de docent een contextrijke en inclusieve leeromgeving door (culturele) achtergronden in de lesstof te integreren. Door positief en proactief op leerlinggedrag te reageren, wordt het voor leerlingen makkelijker om gewenst gedrag te tonen en actief deel te nemen aan de les.


Retailformule
Waar bestaat deze uit:
  • Doelgroep
  • Marktpositie
  • Product, prijs, plaats, personeel, promotie, presentatie

Slide 23 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

FIFO, LIFO en JIT
FIFO
LIFO
JIT
first in first out
last in first out
just in time
bederfelijke producten
niet bederfelijke producten
niet bederfelijke ingewikkelde producten
Weinig voorraad
Veel voorraad
Geen voorraad

Slide 24 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat is derving?
Derving is VERLIES dat ontstaat als artikelen:

  • kapot gaan
  • bederven
  • zoekraken
  • gestolen worden

Slide 25 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Huisstijl
              Onderdelen huisstijl: 
  • Naam van je evenement
  • Logo
  • Lettertype
  • Lettergrootte
  • Achtergrondkleur

Slide 26 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Etalage vormen
Gesloten etalage          Halfopen etalage         Open etalage            Inloopwinkel





Slide 27 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

  Waarom spiegelen?

  • Het schap ziet er na het spiegelen netjes uit
  • klanten komen sneller terug in een winkel die netjes en verzorgd is.
  • Je kunt makkelijker zien of alle artikelen op de goede plek staan. 

Slide 28 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

ROUTING

Slide 29 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Routing IKEA

Slide 30 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Kernactiviteit/Primair proces
  • Elke onderneming is anders

  • Maar elke onderneming heeft:
    een doel (vaak winst maken)
    +
    een specifieke activiteit (kernactiviteit/primair proces) omdat doel te bereiken 

Slide 31 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Huismerk
Huismerk= eigen merk van een winkel
  • Alleen te koop in de winkel van het merk
  • Vaak dezelfde kwaliteit als een A-merk
  • Lagere prijs dan A-merk
  • Vaak kniehoogte

Voorbeeld:

Slide 32 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Winkelsfeer
Als de klant zich prettig voelt in de winkel, heb je meer kans dat hij een aankoop doet.

Dit kan je beïnvloeden:
Visueel,
Auditieve, 
Geur en smaak 
en tast.

Slide 33 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies