Rekenen N4 - Domein 1 - Grootheden en eenheden

Rekenen niveau 4

 


Domein 1

 

Grootheden en eenheden

1 / 41
volgende
Slide 1: Slide
newEditorRekenenMBOStudiejaar 1

In deze les zitten 41 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min
Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

Rekenen niveau 4

 


Domein 1

 

Grootheden en eenheden

Maateenheden Lengte


Millimeter        - mm      - De dikte van een cd of spijker

Centimeter     - cm        - Een usb-aansluiting

Decimeter       - dm        - Een mobiele telefoon

Meter               - m        - De breedte van een deur

Decameter      - dam     - De lengte van een vrachtwagen

Hectometer    - hm        - Om de 100 meter staat een hectometerpaaltje

Kilometer         - km        - De lengte van de weg kan een kilometer zijn

Lengte

2 meter = ....... decimeter?

30

second

A

20 dm

B

200 dm

C

2 dm

D

2000 dm

2 m =      dm

3 dm =    cm

5 cm =     mm

3 m =        mm  



400 cm =        m

500 dm =        m

2000 mm =     dm

3500 cm =       m

3500 cm =       hm

8 kilometer = ..... meter?

30

second

A

8 m

B

800 m

C

20 m

D

8000 m

400 cm =        m

500 dm =        m

2000 mm =     dm

3500 cm =       m

3500 cm =       hm

2 m =    20 dm

3 dm =    cm

5 cm =     mm

3 m =        mm  



100 centimeter = ..... meter?

30

second

A

10 m

B

1 m

C

100 m

D

1000 m

2 m =    20 dm

3 dm = 30 cm

5 cm =     mm

3 m =        mm  



400 cm =        m

500 dm =        m

2000 mm =     dm

3500 cm =       m

3500 cm =       hm

3500 centimeter = ..... meter?

30

second

A

350 m

B

0,035 m

C

35 m

D

0,35 m

400 cm =        m

500 dm =        m

2000 mm =     dm

3500 cm =       m

3500 cm =       hm

2 m =    20 dm

3 dm = 30 cm

5 cm = 50 mm

3 m =        mm  



1000 centimeter = ..... kilometer?

30

second

A

1 km

B

0,1 km

C

0,01 km

D

Antwoord staat er niet tussen

2 m =    20 dm

3 dm = 30 cm

5 cm = 50 mm

3 m =    3000 mm  



400 cm =        m

500 dm =        m

2000 mm =     dm

3500 cm =       m

3500 cm =       hm

400 cm =     4 m

500 dm =        m

2000 mm =     dm

3500 cm =       m

3500 cm =       hm

2 m =    20 dm

3 dm = 30 cm

5 cm = 50 mm

3 m =    3000 mm  



2 m =    20 dm

3 dm = 30 cm

5 cm = 50 mm

3 m =    3000 mm  



400 cm =     4 m

500 dm =     50 m

2000 mm =     dm

3500 cm =       m

3500 cm =       hm


400 cm =     4 m

500 dm =     50 m

2000 mm = 20 dm

3500 cm =       m

3500 cm =       hm

2 m =    20 dm

3 dm = 30 cm

5 cm = 50 mm

3 m =    3000 mm  



400 cm =     4 m

500 dm =     50 m

2000 mm = 20 dm

3500 cm =   35 m

3500 cm =       hm


2 m =    20 dm

3 dm = 30 cm

5 cm = 50 mm

3 m =    3000 mm  



400 cm =     4 m

500 dm =     50 m

2000 mm = 20 dm

3500 cm =   35 m

3500 cm =   0,35 hm


2 m =    20 dm

3 dm = 30 cm

5 cm = 50 mm

3 m =    3000 mm  



Maateenheden gewicht

Milligram        - mg   - Een klein beetje zout weegt ongeveer een milligram.

Centigram     - cg     - Een klein tabletje weegt ongeveer een centigram.

Decigram       - dg    - Een paperclip weegt ongeveer een decigram. Deci betekent  'tiende'. Een
                                           decigram is een tiende deel van een gram.

Gram                - g       - Een wat grotere tablet, zoals een paracetamol, weegt ongeveer een gram.

Decagram     - dag  - Deca betekent 'tien'. Een decagram is tien gram. Een cd weegt ongeveer
                                           een decagram.

Hectogram   - hg    - Hecto betekent 'honderd'. Een hectogram is gelijk aan honderd gram. Dit
                                           wordt ook wel 'een ons' genoemd. Je bestelt een ons gehakt bij de slager.

Kilogram        - kg     - Kilo betekent 'duizend'. Een kilogram is gelijk aan duizend gram. Een pak
                                          suiker weegt een kilo(gram).

Hoeveel gram wegen de sinaasappelen? 

30

second

2 kilogram = ..... gram?

A

2000 g

B

200 g

C

2000000 g

D

Antwoord staat er niet tussen

Hoeveel gram wegen de sinaasappelen? 

2 x 10 x 10 x 10 = 2000 gram

      1      2      3

200 milligram = ..... gram?

30

second

A

20 g

B

2 g

C

0,02 g

D

Antwoord staat er niet tussen



1 eeuw =         100 jaar

1 jaar =             12 maanden

1 jaar =             52 weken

1 jaar =             365 dagen of 366 dagen

1 maand =      30 of 31 dagen

februari =       28 of 29 dagen

1 week =          7 dagen

1 dag =             24 uur

1 uur =              60 minuten

1 kwartier =    15 minuten

1 minuut =      60 seconden

In de tabel zie je hoe je de eenheden uur, minuut en seconde naar elkaar omrekent.





Tijdseenheden

Jack studeert 2,5 uur voor zijn theorie-examen. Hoeveel minuten heeft hij gestudeerd?

30

second

A

120 minuten

B

150 minuten

C

360 minuten

D

Antwoord staat er niet tussen

Edwin van de Sar liep de New York Marathon in 04:19:15. Hoeveel minuten liep hij?

A

259,25 minuten

B

259,15 minuten

C

240 minuten

D

41915 minuten

Andere grootheden en eenheden

Geld

1 ton = € 100.000,-


Snelheid

kilometer per uur (km/h)

meter per seconde (m/s)

Temperatuur

graden Celsius (°C)




Tijdens een reis is de gemiddelde snelheid 80 km/h. De reis duurt drie kwartier. Hoeveel kilometer leg je met deze snelheid af?

Referentiematen



Referentiematen zijn maten die je uit je hoofd kent, dus persoonlijke kennis.
We gebruiken deze veel in het dagelijks leven bij het schatten of berekenen van grootheden zoals de grootte, het gewicht, de lengte, enz
Dit maakt ze ideaal als hulpmiddel bij rekenen. Enkele voorbeelden:


- 10 cm is ongeveer de afstand tussen je duim en wijsvinger als je ze spreidt.

- een pak suiker weegt ongeveer een kilogram.

- de afstand tussen twee hectometerpaaltjes langs de snelweg is 100 meter.





De kracht van referentiematen


Hoeveel meter breed is deze stoep zonder stoeprand?

30

second


30

second

Hoe hoog is de liftschacht?

A

ongeveer 39 meter

B

ongeveer 50 meter

C

ongeveer 33 meter

D

Ik weet het niet


Hoe lang doe ik erover als ik ga lopen?

Hoe lang doe ik erover als ik ga fietsen?

Vuistregel


Een vuistregel is een rekenregel waarmee je op een gemakkelijke manier een vaak voorkomende berekening kunt uitvoeren.

De uitkomst is een schatting van wat je wilt berekenen.

Vuistregel

Voor het maken van één glas sinaasappelsap moet je ongeveer 3 sinaasappels persen.

De vuistregel die hierbij hoort is:

1 glas sinaasappelsap = 3 sinaasappels


Hoeveel sinaasappels heb je nodig voor 6 glazen sinaasappelsap?

3 × 6 = 18


Je hebt 18 sinaasappels nodig voor 6 glazen sinaasappelsap.

Formule

Een formule is een rekenregel waarmee je nauwkeurig een veel voorkomende berekening kunt uitvoeren.

Formule


Een provider rekent voor belkosten buiten de bundel met de volgende formule:

belkosten = € 0,20 × aantal minuten


Bereken de belkosten als je 7 minuten buiten je bundel hebt gebeld.

belkosten = € 0,20 × 7 = € 1,40


Buiten de bundel betaal je voor 7 minuten € 1,40.

Einde theorie

We gaan nu de gemengde 

opdrachten

maken 

van Domein 1