Je ziet twee manieren om de stroomsterkte te meten. De stroom loopt van plus naar min.
Welke bewering is waar?
A
Beide meters zullen dezelfde stroomsterkte aangeven
B
De meter in de linker foto zal de laagste stroomsterkte aangeven
C
De meter in de rechter stroomkring zal de laagste stroomsterkte aangeven
D
1 van de 2 schakelingen werkt niet.
Slide 8 - Quizvraag
Een lamp met een vermogen van 7 W brandt gedurende 7200 s. Hoeveel energie is er totaal omgezet?
A
0,014 kWh
B
50400 J
C
0,00029 kWh
D
1029 J
Slide 9 - Quizvraag
Spanning is een grootheid. Wat is het symbool voor spanning?
A
U
B
V
C
u
D
A
Slide 10 - Quizvraag
Welke meter zit er NIET in de meterkast
A
watermeter
B
kWh meter
C
gasmeter
D
afstandsmeter
Slide 11 - Quizvraag
Wat is waar over een serieschakeling?
A
In een serieschakeling is de spanning overal gelijk
B
In een serieschakeling is de stroomsterkte overal gelijk
C
In een serieschakeling zijn de spanning en stroomsterkte overal gelijk
D
In een serieschakeling zijn de spanning en stroomsterkte overal ongelijk
Slide 12 - Quizvraag
Welke ladingen trekken elkaar aan?
A
Positief en positief
B
Negatief en negatief
C
Positief en negatief
D
Allemaal niet
Slide 13 - Quizvraag
Hoe meet je de stroomsterkte?
A
Voltmeter
B
Spanningsmeter
C
Ampèremeter
D
Thermometer
Slide 14 - Quizvraag
De spanning van het lichtnet:
A
spanning= 12 V
B
spanning= 230 V
C
spanning= 9 V
D
spanning= 1,5 V
Slide 15 - Quizvraag
Een wasmachine van 1000W staat 1uur en 30min aan. Bereken het energieverbruik in kWh. Energie = vermogen x tijd.
A
Energie = 1000 : 1.5 = 666.7 kWh
B
Energie = 1000 x 1.5 = 1500 kWh
C
Energie = 1 x 1.5 = 1.5 kWh
D
Energie = 1 x 1.30 = 1.3 kWh
Slide 16 - Quizvraag
In een geleider
A
zitten kanaaltjes die de elektronen doorlaten
B
zitten meer elektronen dan in een isolator
C
zit altijd metaal
D
kunnen elektronen makkelijk van atoom naar atoom springen
Slide 17 - Quizvraag
In de meterkast zitten verschillende dingen voor de veiligheid. Een ding kun je gebruiken om de spanning van één groep te halen. Wat is hiervan de naam?
A
aardlekschakelaar
B
hoofdschakelaar
C
de zekering
D
de kilowattuur meter
Slide 18 - Quizvraag
Sleep de onderdelen naar de juiste plaats in de meterkast.
Zekering
Aardlekschakelaar
kWh-meter
groepenkast
Slide 19 - Sleepvraag
Zet het juiste symbool erachter!
Slide 20 - Sleepvraag
Sleep de lading van de onderdelen naar de juiste plaats.
Positief
Neutraal
Negatief
Slide 21 - Sleepvraag
brand door
meet het stroonverbruik
ander woord voor zekering
heet worden en smelten
hier wordt de stroom verdeeld
3. de meterkast
2. het doorbranden
1. de stop
4. de elektriciteitsmeter
5. de zekering
Slide 22 - Sleepvraag
P staat voor ........... en bereken je door de formule .............
E staat voor ........... en bereken je door de formule .............
t staat voor ........... en bereken je door de formule .............
tijd
Energie
Vermogen
t = P x E
P = E
t
P = t
E
t = E
P
E = P x t
Slide 23 - Sleepvraag
Grootheid
Symbool
Eenheid
Afkorting
Tijd
P
Warmte
Joule
J
W
J
s
E
Q
t
Vermogen
Energie
Joule
Seconde
Watt
Slide 24 - Sleepvraag
Sluit de regels aan op de juiste soort schakeling
Serie
Parallel
Slide 25 - Sleepvraag
Goed
Fout
Met een schakelaar kan je een stroomkring openen.
In een parallel- schakeling heeft elke vertakking een aparte stroomkring
Plastic is een geleider
Met een dynamo kan je stroom opwekken, met een generator niet.
Stroom meet je met een voltmeter.
75 mA = 0,075 A
Kortsluiting ontstaat als teveel elektrische apparaten tegelijk aan staan.
Slide 26 - Sleepvraag
Verplaats de juiste naam bij de juiste meter.
Ampèremeter
Multimeter
Voltmeter
Stroommeter
Spanningsmeter
Slide 27 - Sleepvraag
Sleep de woorden naar de juiste symbolen
Symbool
Woord
Symbool
Woord
Batterij
Schakelaar
Stopcontact
Stroommeter
Snoer
Lampje
Slide 28 - Sleepvraag
Stoten elkaar af
Trekken elkaar aan.
Een + lading en een - lading
Twee + ladingen
Twee - ladingen
Slide 29 - Sleepvraag
Zet de spanningsmater en de stroommeter op de juiste plaats in de schakeling