2.3 Lezen les 3

Lezen 2.3
  • Goedemorgen

  • Pak een leesboek uit de kast en
      ga  rustig lezen.

  • Lesboek en etui op de hoek
     van je tafel.
1 / 12
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo k, gLeerjaar 2

In deze les zitten 12 slides, met tekstslides.

Onderdelen in deze les

Lezen 2.3
  • Goedemorgen

  • Pak een leesboek uit de kast en
      ga  rustig lezen.

  • Lesboek en etui op de hoek
     van je tafel.

Slide 1 - Tekstslide

Afspraken over lezen
  • Start van de les begin je met 10
     minuten lezen in je boek.
  • Daarna boek op de hoek van je
     tafel.
  • Aan het einde van de les zet je het
     boek netjes terug in de kast.

Slide 2 - Tekstslide

2.3 Lezen
  • Hoofdstuktoets op
    22-23 november gaat over de paragrafen:

  • 2.3 Lezen 
  • 2.5 Woorden
  • 2.7 Grammatica
  • 2.8 Spelling

Slide 3 - Tekstslide

Lezen 2.3
In deze paragraaf
  • herhaal je 
     - de tekstdoelen informeren, overtuigen, activeren, amuseren
     - verwijswoorden.
  • leer je:
     - de tekstdelen inleiding, kern en slot herkennen
     - de signaalwoorden herkennen die een voorbeeld aangeven. 

Slide 4 - Tekstslide

Lezen 2.3 tekstdoelen
Leertekst: Tekstdoelen (herhalen)

















informeren
de lezer informatie geven over een bepaald onderwerp.
- nieuwsbericht
- instructie
amuseren
dat de lezer plezier heeft in het lezen van de tekst
- leesboek
- stripverhaal
overtuigen
dat de lezer zijn mening overneemt
- recensie
- betoog
activeren
dat de lezer iets gaat doen; dat de lezer in actie komt. Je gaat iets doen.
- advertentie
- uitnodiging 

Slide 5 - Tekstslide

Lezen 2.3
Vandaag
  • herhaal je 
     - verwijswoorden
  • leer je:
     - signaalwoorden die een voorbeeld aangeven

Slide 6 - Tekstslide

Lezen 2.3 verwijswoorden
Leertekst Verwijswoorden (blz. 113)

In de meeste teksten staan verwijswoorden. Dat zijn woorden die verwijzen naar één of meer woorden in de tekst, en soms zelfs naar een hele zin.
Wil je weten waar een verwijswoord naar verwijst? Stel dan een vraag die begint met wie, wat, waar of welk(e).

Voorbeeld:
De ijsvogel komt vooral af op schoon water. Hier zit hij vaak roerloos op zijn prooi te wachten. Die vangt hij door in het water te duiken.







Slide 7 - Tekstslide

Lezen 2.1 Huiswerk bespreken
  • Opdracht 7 t/m 10 blz. 112 - 114

Slide 8 - Tekstslide

1.3 Lezen
In bijna elke tekst staan signaalwoorden. Deze woorden laten het verband zien tussen woorden, zinnen of alinea’s. Dat is bijvoorbeeld zo bij een opsomming.

  • Max is dol op sporten. Hij kan goed wielrennen. Ook kan hij geweldig 
      zwemmen. Bovendien loopt hij regelmatig hard.

  • Zaterdag ben ik naar het theater geweest. Als eerste ging ik op bezoek bij een vriend. Verder ben ik iets gaan eten. Tot slot heb ik een leuke voorstelling gezien. 

  • Mijn zusje had een druk weekend. Ze had veel huiswerk,  ook moest ze een spreekbeurt oefenen en voor paardrijden een proef doen. Daarnaast ging ze shoppen met  vriendinnen.
2.3 Lezen - signaalwoorden opsomming

Slide 9 - Tekstslide

Lezen 2.3 Signaalwoorden: voorbeeld
Leertekst Signaalwoorden: voorbeeld (blz. 116)

In een tekst geven signaalwoorden het verband aan tussen woorden, zinnen of alinea’s. Bijvoorbeeld een opsomming of een tegenstelling.
Er zijn ook signaalwoorden die een voorbeeld aangeven: bijvoorbeeld, zoals, ter illustratie.

In de natuur komen veel verschillende slangen voor, zoals adders en ringslangen.









Slide 10 - Tekstslide

Lezen 2.3 Signaalwoorden: voorbeeld
Leertekst Signaalwoorden: voorbeeld
Je kent nu de signaalwoorden:








verband 
signaalwoorden 
opsomming
ten eerste, ook, bovendien, zowel ... als, ten slotte
tijdsvolgorde
eerst, later, voor het eerst, terwijl, nadat, voordat, daarna, vervolgens, ten slotte
tegenstelling
maar, echter, evenwel, toch, daarentegen, integendeel
voorbeeld
bijvoorbeeld, een voorbeeld hiervan is, zo, zoals, ter illustratie

Slide 11 - Tekstslide

Lezen 2.3 zelfstandig werken
  • Opdracht 13 t/m 15 blz. 116 t/m 118

Slide 12 - Tekstslide