2hv Spelling - De brug

Herhaling spelling klas 1
1 / 28
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 2

In deze les zitten 28 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

Herhaling spelling klas 1

Slide 1 - Tekstslide

Planning
  • De brug - herhaling hoofdletters, verkleinwoorden, meervoud, bijvoeglijk naamwoord en werkwoordspelling
  • H1 leestekens en gebiedende wijs
  • H2 leenwoorden en Engels werkwoorden
  • H3 koppelteken en weglatingsstreepje en lastige wwerkwoordsvormen.
  • Toets Spelling H1 t/m 3

Slide 2 - Tekstslide

Weet je het nog?

Slide 3 - Tekstslide


Wanneer zet je een komma?
A
Je zet een komma tussen een naam en een uitroep.
B
Je zet een komma na een opsomming.
C
Je zet een komma na verbindingswoorden als doordat, maar, nadat, omdat, terwijl, want...
D
Je zet een komma tussen twee persoonsvormen

Slide 4 - Quizvraag

Antwoord
Je zet een komma:
  • tussen twee persoonsvormen: Als jij de jassen haalt, ga ik betalen.
  • tussen de delen van een opsomming (maar niet voor en): Mulan spreekt Nederlands, Frans, Engels en Duits.
  • tussen een naam of een uitroep en de rest van de zin: Heb jij je huiswerk al af, Yaniek? Stop eens, ik heb een lekke band!
  • voor verbindindingswoorden als doordat, maar, nadat, omdat, terwijl, want, voordat, zodat, zodra.

Zet in het algemeen geen komma voor en en of.

Slide 5 - Tekstslide


Je schrijft een hoofdletter:
A
aan het begin van een zin
B
bij namen
C
bij de namen van dagen en maanden
D
bij woorden die van aardrijkskundige namen zijn afgeleid

Slide 6 - Quizvraag

Schrijf de verkleinwoorden op van de volgende woorden:
baby, colbert, tang, wandelpad

Slide 7 - Open vraag

Schrijf het meervoud op van:
klok, woord, duif, hobby, tv, bezem

Slide 8 - Open vraag

Geef een voorbeeld van een bijvoeglijk naamwoord.

Slide 9 - Woordweb

Vul een stoffelijk bijvoeglijk naamwoord in: de ... ring

Slide 10 - Woordweb

Opdrachten
Ga naar De brug (achterin je boek)
 havo p.266 Maak opdracht 1 t/m 5 
 vwo p. 272 Maak opdracht 1 t/m 4

Slide 11 - Tekstslide

Slide 12 - Tekstslide

Weet je het nog?
  • persoonsvorm - tt en vt
  • sterke en zwakke werkwoorden
  • voltooid deelwoord en onvoltooid deelwoord
  • werkwoordstijden: ott, ovt, vtt en vvt

Slide 13 - Tekstslide

PVTT

Wat (vinden) je van mijn nieuwe jas?
A
vind
B
vindt

Slide 14 - Quizvraag

PVTT
Hij (raden) nooit welke film ik gisteren heb gezien.
A
raad
B
raadt

Slide 15 - Quizvraag

Kies de juiste PV en let goed op de tijd!

- Toen hij het winnende doelpunt maakte, ........ het publiek.
A
juigde
B
juichde
C
juigte
D
juichte

Slide 16 - Quizvraag

Kies de juiste PV en let goed op de tijd!

- Toen de afspraak uitliep, ...... Flip de laatste trein.
A
miste
B
mistte
C
misde
D
misdte

Slide 17 - Quizvraag


'winnen' is een...
A
sterk werkwoord
B
zwak werkwoord

Slide 18 - Quizvraag


'werken' is een....
A
zwak werkwoord
B
sterk werkwoord

Slide 19 - Quizvraag

PVVT

We [verven] gisteren de muur geel.

Slide 20 - Open vraag

Heb jij de nieuwste Marvelfilm al gekeken?

A
gekeken = pvtt
B
gekeken = pvvt
C
gekeken = vd
D
gekeken = od

Slide 21 - Quizvraag

Wat is het voltooid deelwoord van 'vechten'?

Slide 22 - Open vraag

Marie viel stikkend van het lachen van haar stoel. 'stikkend'=
A
voltooid deelwoord
B
onvoltooid deelwoord

Slide 23 - Quizvraag

Jan rende [schreeuwen] naar zijn moeder toe.

Slide 24 - Open vraag

In welke tijd staat deze zin?

"Na Black Widow brengt Marvel opnieuw een superheldenfilm uit waarin familie centraal staat."
A
ott
B
ovt
C
vtt
D
vvt

Slide 25 - Quizvraag

In welke tijd staat deze zin?

"Shang-Chi and the Legend of the Ten Rings werd geregisseerd door Destin Daniel Cretton."
A
ott
B
ovt
C
vtt
D
vvt

Slide 26 - Quizvraag

In welke tijd staat deze zin?

De film is gebaseerd op een stripverhaal.
A
ott
B
ovt
C
vtt
D
vvt

Slide 27 - Quizvraag

Opdrachten
havo p. 269
vwo p. 275

Maak opdracht 1 t/m 5

Slide 28 - Tekstslide