Blok 2 Over taal - Lezen - Spelling

Welkom bij Nederlands!

Pak je pen, boek & schrift.


1 / 32
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo t, mavo, havo, vwoLeerjaar 4

In deze les zitten 32 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Welkom bij Nederlands!

Pak je pen, boek & schrift.


Slide 1 - Tekstslide

Vandaag
  • Info
  • Uitleg/werken
  • Werken
  • Vragen?
  • Afsluiting

Slide 2 - Tekstslide



Info
Ik ga uitleg geven aan de drie groepen, maar los van elkaar. 
Dat betekent dat de anderen aan de slag gaan met hun eigen werk.
Vandaag
  • Info
  • Uitleg/werken
  • Vragen?
  • Afsluiting

Slide 3 - Tekstslide



Maken
Dit is wat je moet doen:
vmbo-t: Blok 2, Over taal, opdr. 1, 2, 3, 4 & 9
havo: Blok 2, Spelling, opdr. 1, 2, 3, 4, 5, 6
vwo: Blok 2, Lezen, opdr. 1, 2, 3, 4
Vandaag
  • Info
  • Uitleg/werken
  • Vragen?
  • Afsluiting

Slide 4 - Tekstslide



vmbo-t: Over taal
Eerst een stukje uitleg voor vmbo-t.
Het gaat om Blok 2, Over taal.
Vandaag
  • Info
  • Uitleg/werken
  • Vragen?
  • Afsluiting

Slide 5 - Tekstslide

Groepstaal
  • Straattaal
  • Vaktaal/vakjargon
  • Gametaal
  • Voetbaltaal
  • enzovoorts.....
  • Gesproken door een bepaalde groep   (dus niet in een bepaald gebied zoals bij dialect/streektaal)

Slide 6 - Tekstslide

Vaktaal = vakjargon
Vaktaal of vakjargon is taalgebruik binnen een bepaalde beroepsgroep of vakgebied. Het taalgebruik is zo specifiek op het beroep gericht dat buitenstaanders de woorden of uitdrukkingen moeilijk kunnen begrijpen. In plaats van vakjargon heeft men het ook wel over vaktaal.

Slide 7 - Tekstslide

Bij welk beroep hoort:
'Als de patiënt onder narcose is, kan de operatie beginnen.'


A
boekhouder
B
bouwvakker
C
dokter
D
verhuizer

Slide 8 - Quizvraag

Bij welk beroep hoort:
'Elke vrijdag vindt er een back-up van de gegevens plaats.'


A
computerdeskundige
B
dj
C
krantenbezorger
D
voetballer

Slide 9 - Quizvraag



havo: Spelling
Nu uitleg voor havo.
Het gaat om Blok 2, Spelling.
Vandaag
  • Info
  • Uitleg/werken
  • Vragen?
  • Afsluiting

Slide 10 - Tekstslide



Lesdoel vandaag

Aan het eind van de les kun je...


- ...uitleggen wanneer je een trema moet gebruiken.

- ...trema's juist gebruiken.

Vandaag
  • Info
  • Uitleg
  • ZS
  • Vragen?
  • Werken
  • Afsluiting

Slide 11 - Tekstslide



Spelling
Welke leestekens kennen jullie allemaal?

Wie weet al wat een trema is?
Vandaag
  • Info
  • Uitleg
  • ZS
  • Vragen?
  • Werken
  • Afsluiting

Slide 12 - Tekstslide

Trema (") kort samengevat

In sommige woorden schrijf je een trema. Je voorkomt zo dat je een woord verkeerd uitspreekt.


Het trema maakt duidelijk dat het om twee klinkers gaat,

en niet om één klank.

Slide 13 - Tekstslide

Trema?
poeziealbum
A

Slide 14 - Quizvraag

Trema?
industriele
A

Slide 15 - Quizvraag

Trema?
tatoeage
A

Slide 16 - Quizvraag

Trema?
financieel
A
null

Slide 17 - Quizvraag

maiskolf

A
Met apostrof
B
Zonder apostrof
C
Met trema
D
Zonder trema

Slide 18 - Quizvraag

Waarom heeft het woord een trema?
onhygiënisch
A
Het woord is een aardrijkskundige aanduiding of afleiding hiervan
B
Het woord is een samenstelling die je anders verkeerd zou uitspreken
C
Het woord is een samenstelling waarin een cijfer, symbool of afkorting voorkomt
D
Het woord is geen samenstelling en anders zou je het verkeerd uitspreken

Slide 19 - Quizvraag

Waarom heeft het woord een trema?
geïnteresseerd
A
Het woord is een aardrijkskundige aanduiding of afleiding hiervan
B
Het woord is een samenstelling die je anders verkeerd zou uitspreken
C
Het woord is een samenstelling waarin een cijfer, symbool of afkorting voorkomt
D
Het woord is geen samenstelling en anders zou je het verkeerd uitspreken

Slide 20 - Quizvraag

Waarom heeft het woord een trema?
hindoeïsme
A
Het woord is een aardrijkskundige aanduiding of afleiding hiervan
B
Het woord is een samenstelling die je anders verkeerd zou uitspreken
C
Het woord is een samenstelling waarin een cijfer, symbool of afkorting voorkomt
D
Het woord is geen samenstelling en anders zou je het verkeerd uitspreken

Slide 21 - Quizvraag



vwo: Lezen
Nu uitleg voor vwo.
Het gaat om Blok 2, Lezen.

We gaan het hebben over tekstfuncties,
eerst herhaling tekstverbanden.
Vandaag
  • Info
  • Uitleg/werken
  • Vragen?
  • Afsluiting

Slide 22 - Tekstslide

Signaalwoorden

uitspraak - opsomming                en, ook, bovendien, daarnaast

uitspraak - tegenstelling             maar, toch, daarentegen

uitspraak - voorbeeld                    bijvoorbeeld, zoals

middel - doel                                      om te, waarmee, met als doel

oorzaak - gevolg                              waardoor, hierdoor, zodat

uitspraak - vergelijking                hetzelfde, in vergelijking met

uitspraak - reden                            daarom, want, omdat


Slide 23 - Tekstslide

Tekstverbanden

uitspraak - conclusie                    dus, concluderend

na één of meerdere uitspraken  volgt een eindbesluit, oordeel


uitspraak - samenvatting           kortom, samenvattend, al met al

Na één of meerdere uitspraken worden de belangrijkste punten genoemd


uitspraak - voorwaarde                mits, als, indien, tenzij

Er worden diverse voorwaarden (eisen) genoemd die bij een uitspraak horen.


Slide 24 - Tekstslide

Verbindingsmanieren

Zinnen en alinea's worden verbonden door middel van een verband. Dit kan op verschillende manieren worden aangegeven:

1 door het gebruik van een signaalwoord

2 door het herhalen van een woord

3 door een overgangszin met een verwijzing

4 door een aankondigende zin

Slide 25 - Tekstslide

Functies van tekstgedeelten

Alinea's of groepjes alinea's heeft een bepaalde bedoeling of functie (= functie tekstgedeelte).
Hierbij kun je denken aan bewijs, constatering, gevolgen, nuancering, ontkenning, oorzaak, opsomming, theorie en toelichting.


Tip: bekijk goed de kernzin en signaalwoorden, dit kan je hierbij helpen.


Slide 26 - Tekstslide

Functies van tekstgedeelten

(zie blz. 85)

Bewijs: met feiten (onderzoek) wordt de juistheid van een theorie aangetoond

Constatering: er wordt iets vastgesteld / opgemerkt

Gevolgen: er worden gevolgen beschreven die door een maatregel/verschijnsel zijn veroorzaakt

Nuancering: een uitspraak wordt iets afgezwakt (andere gezichtspunten)

Ontkenning: een uitspraak waarvan wordt aangegeven dat die niet juist is

Oorzaak: er wordt beschreven hoe iets is ontstaan


Slide 27 - Tekstslide

Functies van tekstgedeelten

(zie blz. 85)

Opsomming: delen die bij elkaar horen worden genoemd

Theorie: bij een algemene beschrijving wordt een feit/verschijnsel verklaart of voorspelt

Toelichting: iets wordt nader uitgelegd met voorbeelden of gevolgen


Eigenlijk ga je het bouwplan van de schrijver ontrafelen!


Slide 28 - Tekstslide

Tekststructuren (zie blz. 88)

De opbouw van een tekst noem je ook wel een tekststructuur.

- Voor- en nadelenstructuur: met voor- en nadelen wordt een bepaald probleem of verschijnsel besproken (meningen?)

- Verschijnsel- en verklaringstructuur: er worden verklaringen(opheldering) gezocht bij een bepaald verschijnsel, vaak eindigend met een aanbeveling

- Verschijnsel- en besprekingsstructuur: verschillende kanten van een verschijnsel worden besproken, eindigend met een samenvatting

Slide 29 - Tekstslide

Alinea 14 zou gelezen kunnen worden als een zelfstandige redenering.  Benoem de verschillende
onderdelen van deze redenering.  
conclusie
constatering
theorie
oorzaak
precisering
stelling
tegenwerping
voorbeeld
voorwaarde
toelichting

Slide 30 - Sleepvraag

Afsluiting
Huiswerk: Voor de tweede les schrijf je vragen of moeilijkheden op en je maakt een samenvatting van de tekst.


Slide 31 - Tekstslide

0

Slide 32 - Video